Home Reizen van Jan en Carla



ARMENIË & GEORGIË

twee landen in de Kaukasus



4 – 18 september 2025


INLEIDING

Waarom deze bestemming?
Deze landen aan de zuidelijke grenzen van Oost-Europa stonden al lang op mijn verlanglijstje. Vorig jaar vertrouwden we de rare grillen van meneer Poetin niet (nog steeds niet trouwens), maar we hebben het idee dat hij deze voormalige Sovjetstaatjes voorlopig nog even met rust laat. Daarbij komt dat we ouder worden en nu het nog kan … We verwachten een landschap van hooggebergte (m.n. in Georgië) met eeuwenoude kloosters en fortificaties, een andere cultuur en interessante historische grote en kleine steden; kortom, een aantrekkelijke mix. Tel daarbij ander eetgewoontes en dat deze landen nog niet door West-Europese toeristen overlopen worden en het is duidelijk waarom we voor deze bestemming kiezen.
De Kaukasus
De naam Kaukasus wordt zowel gebruikt voor het gebergte als het gebied aan weerszijden hiervan.
Het gebergte
De Kaukasus is een hooggebergte op de grens van zuidoost-Europa en west-Azië. Eigenlijk zijn het twee bergketens die op een afstand van ± 100 km evenwijdig aan elkaar lopen: de hoge Grote Kaukasus en de minder hoge Kleine Kaukasus. De Grote Kaukasus loopt van de Zwarte Zee tot de Kaspische Zee met toppen van ver boven de 5000 m. Mount Elbrus is met 5642 m de hoogste top van dit gebergte (ruim 800 m hoger dan de Mont Blanc). De Kleine Kaukasus bestaat uit verschillende gebergtes met als hoogste piek de Aragats (4095 m).
Het gebied
De Kaukasus -of Kaukasië- omvat de omringende laagvlakten. De regio is al eeuwen een kruispunt van culturen, religies en talen, maar vooral een gebied van gewapende conflicten. Grote mogendheden zoals de Sovjet-Unie, het Ottomaanse Rijk, Rusland, het Perzische Rijk, de Mongolen en zelfs de oude Grieken hebben geprobeerd om de Kaukasus onder hun invloedssfeer te brengen; meestal met maar gedeeltelijk succes.

Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 zijn er drie Kaukasische landen onafhankelijk geworden: Armenië, Georgië en Azerbeidzjan.
Wij bezoeken Armenië en Georgië.
Georgië en Armenië zijn twee van de oudste christelijke naties ter wereld. Ze liggen op het kruispunt van grote beschavingen: die van Europa en Azië. Beide landen adopteerden het christendom in de 4e eeuw, ofschoon dit nieuwe geloof hier al in de 1e eeuw bekend was. Hoewel omringd door islamitische buren heeft het christendom in deze landen eeuwenlang stand weten te houden.

REISROUTE


1.  Amsterdam > JEREVAN
2.  JEREVAN
3.  JEREVAN > Echmiadzin > Amberdfort > Oshakan
4.  JEREVAN > Geghardklooster > Garnitempel
5.  Jerevan > Khor Virap > Noravank > Areni > Selimpas > SEVANMEER
6.  Sevanmeer > Dilijan > ALAVERDI (Haghpat)
7.  Alaverdi (Haghpat) > GJOEMRI
8.  Gjoemri > Bavra (grens met Georgië) > Vardzia > ACHALTSICHE
9.  Achaltsiche > Bordzjomi > KUTAISI
10. Kutaisi > Zoegdidi > MESTIA
11. MESTIA > Ushguli > Mestia
12. Mestia > KUTAISI
13. Kutaisi > Gori > Uplistsikhe > Mtscheta > TBILISI
14. TBILISI
15. Tbilisi > AMSTERDAM

ARMENIË
Armenië ligt in de zuidelijke Kaukasus en grenst aan Turkije, Iran, Azerbeidzjan en Georgië. Geografisch gezien behoort het land tot Azië, maar in culturele en historische zin beschouwt het zich als behorend tot Europa en noemt zich (net als Georgië) een Europees land.
Armenië is een van de oudste landen ter wereld; het was vroeger een koninkrijk dat zich voor de christelijke jaartelling uitstrekte van de Kaspische Zee tot aan de Middellandse Zee. Het land is meerdere malen in zijn geschiedenis geannexeerd door buitenlandse rijken, maar wist zich vaak weer vrij te vechten. Omdat het Armeense volk eeuwenlang onder de voet is gelopen werd het ook een opgejaagd volk met een diaspora: er wonen meer Armeniërs buiten de landsgrenzen dan erbinnen.

Oppervlakte:
29.800 km2 (70% zo groot als Nederland)
Natuur en landschap
Het landschap is bergachtig; 90% procent ligt boven de 1000 m en de gemiddelde hoogte is 1800 m. Het land wordt in de lengteas doormidden gesneden door een bergketen, die deel is van de Kleine Kaukasus en toppen heeft van boven de 4000 m. De Aragats (4095 m) is de hoogste berg van het land. Verder is het land bosrijk en heeft het veel rivieren en meren. Overigens zijn de rivieren door hoogteverschillen en stroomversnellingen geen van alle bevaarbaar. Het grootste meer is het Sevanmeer (1280 km2), dat op 1900 m hoogte ligt. Enkele wilde diersoorten die in Armenië voorkomen zijn de lynx, de bruine beer en het wilde zwijn.
Weer en klimaat:
Armenië heeft een landklimaat met hete zomers (tot 45°C) en strenge winters (tot -30°C). Aan het begin en eind van de zomer liggen de temperaturen rond de 20° tot 25°C.
Hoofdstad:
Jerevan (Yerevan) is de grootste stad van Armenië en telt ca. 1 miljoen inwoners. Met het uiteenvallen van de Sovjet-Unie in 1991 werd het de hoofdstad van het land. Gesticht in 782 v.C. is Jerevan een van de oudste steden ter wereld. De stad ligt aan de rivier de Hrazdan  ± 1000 m boven zeeniveau en wordt aan drie kanten door bergen omringd. Vanuit de stad is de op Turks grondgebied gelegen berg Ararat (5137m) te zien. Deze uitgedoofde vulkaan is een nationaal symbool voor Armenië. Hij staat zelfs in het wapen van het land, compleet met gestrande ark!

Regeringsvorm:
Republiek
Vlag:
De vlag bestaat uit drie horizontale banden, rood, blauw en oranje. Het rood symboliseert moed, de blauwe kleur staat voor de Armeense beschaving en de oranje kleur vertegenwoordigt de hardwerkende geest van het volk.

Munteenheid:
Dram (AMD)
Bevolking:
Armenië telt ongeveer 3 miljoen inwoners waarvan 65% in steden woont. De bevolking is homogeen van samenstelling: naast Armeniërs (98%) woont er een klein aantal Russen en Koerden.
Taal:
De officiële taal is Armeens en wordt door 96% van de bevolking gesproken. Over het algemeen spreekt en verstaat iedereen ook Russisch. Daarnaast spreekt men vaak óf Engels, óf Frans óf Duits. Het Armeens is een Indo-Europese taal en, net als het Georgisch, heeft deze taal weinig overeenkomsten met andere talen. Sinds een aanpassing in de 20e eeuw heeft het alfabet 38 letters ( eerder waren het er 36), die voor westerlingen lastig te herkennen zijn.

Religie:
94% van de bevolking in Armenië is christelijk en behoort tot de Armeens-apostolische kerk. Daarnaast zijn er protestanten, rooms-katholieken, aanhangers van de Russisch-orthodoxe kerk en een kleine groep moslims. Armenië was in 301 n.C. het eerste land dat het christendom als staatsreligie aannam. In de jaren die volgden ontwikkelden de Armeniërs een eigen tak van het christendom: de Armeens-apostolische kerk. Tijdens de Sovjetperiode waren kerkdiensten verboden en werden priesters en religieuze leiders vervolgd.
Cultuur Armenië:
Armeniërs zijn gastvrije en vrijgevige mensen. Ze lijken iets introverter dan de Georgiërs. Hier geldt de regel dat de gast een geschenk van God is. Een Armeniër die het glas heft, zegt niet “gezondheid” maar “kenats”(=overleef)!
Eten en drinken Armenië:
De Armeense keuken laat zich het beste vergelijken met de Turkse keuken, maar er zijn ook invloeden uit de Russische, Georgische en Libanese keukens. Er wordt veel lams- en rundvlees gegeten. Kruiden zijn een belangrijk onderdeel van de keuken. Verder veel yoghurt, tomaten, komkommers en aubergines. Lavash, het traditionele Armeense brood, is zelfs erkend door UNESCO.
De nationale sterke drank in Armenië is brandy (van het merk Ararat, genoemd naar de Bijbelse berg) en wodka. Ook drinkt men sterke (Turkse) koffie. Verder bier en in Armenië lokaal geproduceerde rode en witte wijn.

De genocide

De Armeense genocide, door Armeniërs Medz Yeghern (= Grote Misdaad) genoemd, is de naam voor de volkerenmoord op Armeniërs in het Ottomaanse Rijk. Deze begon in 1915 toen honderden tot enkele duizenden leden van de Armeense elite werden opgepakt en zonder enige vorm van proces gedeporteerd en later vermoord. Het motief was de samenwerking die deze Armeniërs al langere tijd zochten bij Rusland. Al sinds de eerste razzia's van de Ottomaanse autoriteiten tegen Armeniërs in de loop van de jaren ’90 van de 19e eeuw, waren velen van hen over de Russische grenzen gevlucht. In 1916 kwamen Russische troepen om delen van Ottomaans Armenië te bezetten. Of vanuit Armeens oogpunt: te bevrijden. Die bezetting eindigde toen de revolutie in Rusland uitbrak. Turkse milities, die daartoe de middelen kregen van hoge bestuurders en militairen, kwamen daarop in actie om wraak te nemen op de Armeense 'landverraders'. Dat gebeurde in een massale etnische zuivering. Eerst door het op grote schaal doden van de weerbare mannelijke bevolking door middel van massamoord en het onderwerpen van dienstplichtigen tot dwangarbeid, gevolgd door de deportatie van vrouwen, kinderen, ouderen en zieken die op dodenmarsen moesten naar de Syrische woestijn. Deze mensen waren verstoken van voedsel en water en werden blootgesteld aan diefstal, verkrachting en moord.
Nagorno-Karabach
Nagorno-Karabach was een door etnische Armeniërs bevolkte enclave binnen Azerbeidzjan. Het gebied was in de periode 1991-2023 feitelijk onafhankelijk als de Republiek Nagorno-Karabach. Azerbeidzjan had geen zeggenschap in de regio en er was sprake van sterke Armeense invloed op het bestuur. Maar volgens de Verenigde Naties hoorde het gebied bij het overwegend islamitische Azerbeidzjan. De regio was sinds 1998 door middel van een corridor verbonden met Armenië. In 2020 herstelde Azerbeidzjan het gezag over delen van het gebied en in 2023 dwong het Azerbeidzjaanse leger na een kortdurende aanval de Karabachse eenheden tot overgave en ontwapening. Dit leidde tot een uitstroom van nagenoeg alle Armeniërs via genoemde corridor en de aankondiging van de opheffing van de Republiek Nagorno-Karabach. In maart 2025 werd tussen Armenië en Azerbeidzjan de vrede over dit gebied getekend.

Dag 1, do 04-09:
Amsterdam > JEREVAN
Om 11.30 uur worden we opgehaald door Rob T., die ons regelrecht naar het station in Zutphen brengt. Dat is fijn, want dat scheelt de korte overstaptijd in Zutphen (stress!!) als we vanuit Ruurlo vertrokken zouden zijn. Nu alleen nog in Arnhem overstappen en dan rechtstreeks naar Schiphol. We vliegen toch met enige regelmaat, maar nu was weer bijna alles anders, d.w.z. nóg veel meer geautomatiseerd. In Wenen hebben we een overstap van zo’n drie uur en vertrekken daar vervolgens om 22.35 uur. Ik probeer wat te slapen, maar ondanks mijn dichte ogen doe ik geen oog dicht!

Dag 2, vr 05-09:
JEREVAN
Na een totale vliegtijd, dus zonder de overstap, van 5 uur en 10 min. landen we om 03.55 uur plaatselijke tijd in Armenië, op Zvartnots International Airport, dat ongeveer 12 km ten westen van de hoofdstad Jerevan ligt. Hier maken we kennis met de rest van de groep, die maar uit 12 personen bestaat, en de reisleidster. Om 05.20 uur liggen we eindelijk in bed.

Jerevan 

is de hoofdstad van Armenië en een van de oudste continu bewoonde steden ter wereld. En hoewel dit een bijna 3000 jaar oude stad is, zie je daar nu weinig meer van terug. Het huidige centrum is in de jaren ‘30 door de Sovjets gebouwd: mooie grote publieke gebouwen, ruime boulevards en veel parken, maar ook vervallen flats in de buitenwijken. In het centrum merk je echter weinig van deze haveloze gebouwen. Jerevan lijkt op een West-Europese stad met goede restaurants, terrassen en winkelstraten. Maar er zijn geen wolkenkrabbers. De typische roze Armeense ‘tuff’-steen zie je overal terug in het straatbeeld. Hierdoor kreeg de hoofdstad de bijnaam Pinkcity.

Na het ontbijt eerst even geld wisselen schuin tegenover het hotel. Dat gaat niet zonder slag of stoot, maar het lukt uiteindelijk. Toch vaak een beetje lastig, dat geld trekken in het buitenland. Aan het eind van de ochtend gaan we naar het Genocidemonument, dat een eind buiten het centrum op een heuvel ligt. Tijdens de herdenking van de slachtoffers van de Armeense Genocide, ieder jaar op 24 april, leggen hier zo’n 300.000 mensen bloemen.

Het monument is gebouwd om de naar schatting 600.000 tot 1,5 miljoen slachtoffers te herdenken, omgekomen tijdens de als genocide aangemerkte massamoord op Armeniërs in 1915 in Turkije. Het monument is er gekomen nadat in 1965, in het kader van de 50-jarige herdenking van deze genocide, in Jerevan 1 miljoen Armeniërs de straat op waren gegaan. Zij eisten van de Sovjetregering eindelijk officiële erkenning van de genocide. Om verdere onrust te voorkomen zegde het Kremlin de bouw van een monument toe ter herinnering aan (en feitelijke erkenning van) de genocide. Het monument is in 1968 geopend en vormt sindsdien de officiële locatie van de jaarlijkse herdenking op 24 april. Het monument bestaat uit vier delen:
1) De 44 m hoge obelisk die de wedergeboorte van het Armeense volk symboliseert.
2) De herdenkingshal: 12 schuin geplaatste betonnen platen, die de 12 verloren Armeense provincies in het huidige Turkije vertegenwoordigen en waar duizenden werden vermoord. In het midden de eeuwig brandende vlam die 1,5 m lager ligt.
3) Een muur die naar de herdenkingshal leidt. Hierop staan de namen van Armeense dorpen en steden in Turkije waar massamoorden en deportaties werden georganiseerd.
4) Een museum.

  

Indrukwekkend, m.n. het monument. De grote naar binnen gebogen platen geven iets beklemmends, maar de openingen ertussen en erboven geven (mij althans) een idee van licht en hoop. Het museum toont nogal gruwelijke beelden. Verder is alles, zowel het museum als de andere gebouwen, van grijs beton. Dat is vrij deprimerend; Sovjetstijl zullen we maar zeggen.
Het Plein van de Republiek is het centrum van Jerevan. Van 1940 tot 1991 (ineenstorting Sovjet-Unie) was het plein nog vernoemd naar Lenin. Rondom het plein staan imposante gebouwen waaronder het Historisch Museum van Armenië en het Huis van de Regering, het gebouw met het klokkentorentje. Het is een groot plein met bankjes en fonteinen. Altijd druk. Traditioneel rijden pasgetrouwde stellen samen met hun gasten naar het plein om er met hun auto’s luid toeterend rondjes te rijden. In een andere hoek van dit plein bevindt zich Armenia Marriott Hotel Yerevan. Tijdens het Sovjetbewind was het een staatshotel waar hoogwaardigheidsbekleders verbleven, nu is het een 5-sterrenhotel.

Overal in de stad zijn drinkfonteintjes, die ze pulpulak noemen en die typisch zijn voor Armenië. Je vindt ze bij wijze van spreken op elke straathoek en ze zijn erg populair. Op het Plein van de Republiek vind je de ‘Seven-Springspulpulak’. Tijdens de hete zomermaanden is het soms aanschuiven om wat te drinken of gewoon je even te verfrissen. We zoeken een terras op om te lunchen.
Dan lopen we naar de Gumi Shuka. Op deze overdekte markt hebben ze vooral veel gedroogd en gekonfijt fruit, vaak erg mooi verpakt. Soms lijken het kleine schilderijtjes. En natuurlijk moeten we proeven. Ook veel sujukh of churchkhela. Deze zoetigheid wordt gemaakt van walnoten of hazelnoten, die vervolgens aan een draadje worden geregen en gedipt worden in ingedikt druivensap of een ander vruchtensap. Het geheel wordt gedroogd tot kettingvormige zoete fruitsnacks. 

De Blauwe Moskee slaan we even over. Wel komen we nog langs een grote, min of meer nieuwe kerk: de St. Gregorius-de-Verlichterkathedraal (2001). Deze ligt op een plateau. Het is grootste kerk van Armenië en werd gebouwd t.g.v. de 1700e verjaardag van het christendom in Armenië en heeft dan ook 1700 stoelen. In twee zijkapellen zijn nog eens 300 zitplaatsen.

Dat van die binnenkant hebben we van horen vertellen, want als we zien dat we naar boven moeten komt de man met de hamer: we zijn allebei echt kapot en we moeten nog ruim een half uur lopen om weer bij het hotel te komen. Normaal gesproken geen probleem voor ons, maar nu … We denken dat de combinatie van een nacht helemaal niet slapen en de temperatuur (meer dan 30°) zich doet gelden. Maar dan -hoera, hoera- ziet Jan een taxi en hoeven we niet lang na te denken over wat ons te doen staat: we laten ons lekker naar het hotel rijden.

Dag 3, za 06-09:
JEREVAN > Echmiadzin > Amberdfort > Oshakan
Vandaag gaan we met een gids op stap. Ze spreekt goed verstaanbaar Engels, maar als ze eenmaal haar mond open doet gaat deze ook niet meer dicht: ze blijft praten.
Als eerste bezoeken we ‘de heilige stad Echmiadzin’ die de Armeniërs de oudste kerk van de christelijke wereld noemen, ook al zijn er in de loop der jaren behoorlijk wat verbouwingen en restauraties geweest.

Echmiadzin was onder de vroegere stadsnaam Vagharshapat de hoofdstad van Armenië toen het land in de 4e eeuw het christendom als staatsgodsdienst aannam. Ze was ook de eerste zetel van het hoofd van de Armeens-apostolische kerk, de katholikos. Vandaar ook dat de stad wel het ‘Vaticaan van de Armeens-apostolische kerk’ wordt genoemd. De belangrijkste kerk van Armenië is de Mayr Tachar, vrij vertaald als de Moederkerk van Armenië. Ze ligt in een ommuurd klooster waar zich o.a. ook de residentie van de katholikos bevindt. De Mayr Tachar stamt oorspronkelijk uit de 4e eeuw. Maar in de 15e eeuw is de toen zwaar beschadigde kerk grotendeels  herbouwd en sindsdien is er weinig veranderd. Volgens de overlevering werd ze gebouwd door Gregorius de Verlichter, de verspreider van het christendom in Armenië. Volgens de legende leidde de hand van God Gregorius naar de plaats waar de kathedraal gebouwd zou moeten worden. Binnen in de kerk veel mooie fresco’s -een zeldzaamheid in Armenië- en altijd brandende kaarsjes.


Het klooster en de kerk liggen op een ommuurd parkachtig terrein. Je komt er binnen door een imposante, moderne gebeeldhouwde poort.

De gids geeft interessante informatie, maar zoals gezegd: ze weet van geen ophouden en dus haken we af. Ik heb me goed voorbereid en dus kijken we zelf wel rond. Het geheel ziet er heel goed onderhouden uit. In de kerk mag niet gefotografeerd worden, wat jammer is want de plafonds zijn heel mooi. Ook de buitenkant is erg fraai gedecoreerd, m.n. in de klokkentoren zijn veel oude details te zien. Op het terrein staan verschillende chatsjkars uit verschillende tijden.

Een chatsjkar is een staande steen die wordt gegraveerd en gedecoreerd met rozetten, vlechtwerk en plantkundige motieven als bladeren, granaatappels en druiven. Centraal op de chatsjkar staat een kruis, soms boven een zonneschijf. De decoratie is in de regel symmetrisch aangebracht. De eerste chatsjkars werden in de 9e eeuw in Armenië opgericht na de bevrijding van de Arabische overheersing. De oudste waarvan een datum bekend is, werd in 879 geplaatst. Sinds de onafhandelijkheid in 1991 zie je weer een opleving van deze kunst. In Armenië zijn er ± 40.000. In buurlanden als Turkije en Azerbeidzjan vind je ze ook, maar daar worden ze sterk verwaarloosd. De rechtopstaande stenen worden meestal gemaakt om levende of overleden personen te eren, maar ook als beschermingssymbool tegen natuurrampen of ter herdenking aan militaire overwinningen. Je ziet ze vooral bij kloosters en begraafplaatsen, maar ook aan de kant van de weg of midden in het veld.

Vervolgens rijden we omhoog naar het Amberdfort dat dateert uit de 10e eeuw. Amberd betekent in het Armeens letterlijk ‘fort in de wolken’ en heeft zijn naam te danken aan de ligging op 2300 m hoogte. Helaas wordt de ruïne ontsierd door een grote bouwkraan, maar ja … zelfs ruïnes hebben af en toe een opknapbeurt nodig. We lopen verder naar het kerkje een klein stukje verderop. Deze Vahramashenkerk uit de 10e of 11e eeuw heeft een mooie deur en is verder heel sober.

Een kop koffie op een terras bij het fort en dan verder naar Oshakan, waar we bij mensen thuis zullen lunchen. Het is even zoeken (lees: heen-en-weer rijden), maar we komen er. De ingang ziet eruit als een soort garagedeur en het oogt dan ook niet erg aanlokkelijk. Maar wat een vergissing is dat! In de tuin staan in de schaduw tafels, gedekt met een overdaad aan heerlijke koude gerechten gevolgd door warme gevulde koolbladeren; echt fantantisch. Erbij Armeense wijn. We sluiten af met een stuk koek en fruit, zoals druiven, geschilde perziken en kleine vijgjes plus koffie of thee. Wat een verwennerij. In de tuin bloeien veel bloemen en er hangen grote trossen blauwe druiven. Vijgen en abrikozen liggen te drogen en geschilde perziken zijn op takken gestoken, eveneens om te drogen. Erg leuk allemaal.

Wat verderop in Oshakan gaan we naar een oud kerkje. Erachter staat het standbeeld van Mesrop Mashtotts met de letters van het Armeense alfabet, dat in 405 n.C. door hem werd ontwikkeld.

En dan weer terug naar Jerevan, waar we rond zessen bij het hotel terug zijn. We hebben zo laat -het was al ruim na 15.00 uur- en overvloedig geluncht, dat we geen trek hebben om weer te eten.
’s Avonds denken we eerst nog wat geld uit de muur te trekken. Mooi niet: failure. Grrr … Wat verderop zien we twee reisgenoten, die net als wij op weg zijn naar het Plein van de Republiek. Wat verderop nog een keer geprobeerd om Armeense flappen te tappen en jawel, nu lukt het wel.
Elke avond in de zomer is er op het Plein van de Republiek een show: dan kleurt en ‘danst’ het water van de fonteinen op muziek. Deze varieert van klassiek tot popliedjes en alles wat daar tussen zit. De show eindig altijd met het lied van Charles Aznavour (hij was een Armeniër) ‘Eternal Love’. Het is een waar spektakel.

Daarna drinken we met z’n vieren iets bij het Marriotthotel. We doen niet minder! Het is dan inmiddels 22.00 uur, nog steeds heel druk op straat en nog altijd 29°!

Dag 4, zo 07-09:
JEREVAN > Geghardklooster > Garnitempel
Vanmorgen gaan we eerst naar het Geghardklooster. Onderweg stoppen we bij een punt waar je de berg Ararat zou kunnen zien. We moeten wel héél goed kijken, want het is een beetje heiig.

Het Geghardklooster is heel goed bewaard gebleven en werd opgericht in de 4e eeuw n.C., naar men zegt door Gregorius de Verlichter op de plaats van een heilige bron. Het klooster is vooral bekend om zijn meerdere kapellen en kerkjes die volledig uit de rotsen zijn gehouwen. Het oudste zijn de hoger gelegen uitgehakte vertrekken die als woning voor de monniken dienden. Het gebouw heeft voor Armeense christenen een belangrijke betekenis, omdat volgens de overlevering de heilige speer waarmee Jezus aan het kruis werd gestoken hier naar toe werd gebracht door een apostel. De naam Geghard betekent dan ook ‘klooster van de speer’. Later is de speer naar het museum in Echmiadzin verhuisd. (In het Hofsburgmuseum in Wenen ligt ‘dezelfde’ speer en ook zou een splinter ervan in de Sint-Pietersbasiliek in Rome bewaard worden. Ra, ra ra… waar is de echte speer?!) De hoofdkerk is de St. Astvatsatsinkathedraal, waar je o.a. de waterbron ziet, die volgens de Armeniërs voor liefde en geluk zou zorgen.

Het complex is erg mooi, vooral door de uitgehakte versieringen.

  

In een van de kerken staat een viertal a capella te zingen. Het klooster staat bekend om de goede akoestiek en in de donkere middeleeuwse ruimte, precies in een straal zon is het betoverend!

Ook erg mooi zijn de chatsjkars op het kloosterterrein. Buiten staan kraampjes waar gata, een zoet rond brood, eetbare vellen gedroogd fruit en in druivensap gedroogde noten aan een touwtje worden verkocht. Vervolgens rijden we naar de Garnitempel.

De Tempel van Garni is het bekendste pre-christelijke gebouw in Armenië en tevens de enige Grieks-Romeinse tempel in het land. Hij was gewijd aan de Armeense zonnegod Mithra. De stenen tempel bleef 1500 jaar staan, doordat men de basaltstenen met loden staven had versterkt. Toen men het lood eruit haalde om kogels van te maken verzakte de tempel. In de 17e eeuw stortte het gebouw in door een aardbeving. Tussen 1969 en 1975 is de tempel herbouwd met de originele materialen die nog rondom het gebouw lagen.

De tempel van Garni is op een driehoekige klif gebouwd. Je hebt er een mooi zicht op de 300 m diepe kloof, waar we de steile wanden van basaltkolommen zien. Deze rotsformatie wordt de ‘Symfonie van stenen’ genoemd.

Om bij de tempel zelf te komen moet je een aantal grote ongelijke treden beklimmen. Direct naast de tempel liggen de overblijfselen van een 7e eeuwse kerk. Ook ligt er op het terrein een Romeins badhuis uit de 3e eeuw n.C. met een gedeeltelijk bewaard gebleven mozaïekvloer. Onderweg terug naar Jerevan vraagt onze chauffeur of hij even bij een winkeltje kan stoppen. Hij komt weer naar buiten met een grote doos bonbons om ons te trakteren, want hij is vandaag grootvader geworden van een kleindochter. (De volgende dag zal hij van de groep een cadeautje krijgen voor dit kleintje. Hij is dan duidelijk aangedaan.) Rond het middaguur zijn we weer terug in Jerevan. Na korte tijd lopen we richting de Cascade. Het is wederom ruim boven de 30°. Voor de Cascade ligt een mooie beeldentuin met moderne werken, o.a. van Botero.

Aan het begin van de beeldentuin staat een modern beeld van de Armeense componist Katchaturian (die van de intro-tune van de TV-serie de Onedin Line) aan de piano. We lunchen op een terras bij de beeldentuin en gaan dan naar de Cascade.

De Cascade is een enorm trappencomplex dat in de jaren ’70 van de vorige eeuw is aangelegd om het stadscentrum van Jerevan te verbinden met de heuvels rond de stad. Men zegt dat de Cascade vanaf een afstandje gelijkenis heeft met een waterval (ach, met een beetje fantasie …), vandaar de naam. Het is een modern bouwwerk met sculpturen, fonteinen en planten. De trappen van de Cascade worden via vijf terrassen met elkaar verbonden en bestaan uit 572 treden. Het geheel is 302 m hoog. Vanaf de top heb je een mooi uitzicht over Jerevan. Hier staat ook een monument dat de 50e verjaardag van Sovjet-Armenië herdenkt. Hoe symbolisch of cynisch -het is maar hoe je het bekijkt- de bouw van de Cascade stopte in 1991 wegens geldgebrek en dat zelfde jaar verklaarde Armenië de onafhankelijkheid. De Cascade is inmiddels gerenoveerd.

Je kunt ook binnen met roltrappen naar boven. Gezien de temperatuur lijkt dat ons aantrekkelijker dan al die trappen oplopen. We stappen bij de verschillende platforms af om buiten van de daar aanwezige kunst en het uitzicht over de stad te genieten. Ook binnen bij de roltrappen is veel moderne kunst te zien.

Als we weer beneden zijn lopen we nog even door naar het operagebouw. Het is heel groot en, net als het genocidemonument, vooral heel grijs! Ook vanwege de warmte vinden we het wel genoeg voor vandaag en lopen op ons gemak terug naar het hotel.
’s Avonds lopen we in ongeveer vijf minuten naar een leuk restaurant aan een grote vijver, waar we erg smakelijk eten.
Dit was onze laatste dag in en rond Jerevan. Een gezellige stad met veel groen. Maar ook grote wegen, vaak 6-baans. Opvallend: je ziet alleen auto’s rijden. We hebben geen fiets/brommer/motor gezien!

Dag 5, ma 08-09:
Jerevan > Khor Virap > Noravank > Areni > Selimpas > SEVANMEER
We verlaten Jerevan en rijden eerst naar het klooster Khor Virap.

Dit klooster is een van de meest bezochte bedevaartsoorden van het land. Het is een belangrijk symbool voor het totstandkomen van de Armeens-apostolische kerk. Het klooster ligt letterlijk aan de grens met Turkije en kijkt uit op de heilige berg Ararat.

Khor Virap betekent in het Armeens ‘diepe put’ en verwijst naar de put waarin Gregorius de Verlichter gevangen zat. Het christendom was in de tijd van koning Tiridates IV van Armenië een illegale religie en toen Gregorius, die in het paleis van de koning werkte, niet meedeed aan de heidense rituelen werd hij 13 jaar in een put gevangen gezet. Toen deze koning krankzinnig werd en door Gregorius werd genezen bekeerde de koning zich tot het christendom. Armenië werd toen meteen het eerste land ter wereld met het christendom als staatsgodsdienst. Bovenop de put werd het klooster van Khor Virap gebouwd.


Deze put kan je nog steeds bezoeken. Een ijzeren ladder tegen de putwand gaat loodrecht 6,5 m naar beneden om vervolgens in een wat benauwde grot terecht te komen (de kerker) waar continu kaarsen branden. Ik zie er van af om naar beneden te gaan; Jan gaat sowieso niet.

  

Buiten het klooster kun je, uiteraard tegen betaling, een duif over de Turkse grens naar de heilige berg Ararat laten wegvliegen.
Deze locatie vlakbij de Ararat maakt Khor Virap een symbool van Armenië. De berg lag ooit centraal in Armenië en was volgens de overlevering de plek waar de Ark van Noach vastliep. Zowel religieus als cultureel is de besneeuwde, 5165 m hoge slapende vulkaan daarom van groot belang voor de Armeniërs. Hij staat zelfs in het wapen van Armenië.

De berg Ararat / Ark van Noach

De Ararat wordt beschouwd als een heilige berg. In zowel de Thora als in de Bijbel (OT) staat het verhaal van de Ark van Noach, die toen het water ging zakken landde op de berg Ararat. In de Koran komt het verhaal eveneens voor, maar daar wordt een andere berg -die eveneens in Turkije ligt- genoemd. Al voor het christendom was het een heilige berg; het was de thuisplaats van de heidense goden. Volgens de christelijke tradities stammen de Armeniërs af van de achterkleinzoon van Noach: Hajk. Armeniërs noemen hun land in het Armeens dan ook Hayastan. Nu ligt de berg echter in Turkije en doordat de grens al jaren is gesloten is hij feitelijk onbereikbaar vanaf Armeense zijde. Khor Virap ligt op slechts 100 meter van de grens en is daarom de plaats die voor de Armeniërs het dichtste bij hun heilige berg ligt.

Op naar het volgende klooster!! Nu naar het Noravankklooster (= nieuw klooster), dat in een magnifieke omgeving ligt. Het kloostercomplex is roze-zandkleurig en ligt tegen een achtergrond van rotsen met dezelfde kleuren.

Het klooster, dat ook een universiteit had, werd in het jaar 1205 gesticht in opdracht van de rijke Orbelian familie (deze naam zullen we later tijdens de reis nog een paar keer tegenkomen). Zij waren grootgrondbezitters en een aantal van hen is hier begraven. Het bouwwerk heeft door de jaren heen veel te lijden gehad door aardbevingen, maar door uitgebreide renovaties staat het er nu weer goed bij. Het belangrijkste gebouw binnen het kloostercomplex is de Heilige-Moeder-Godskerk met twee verdiepingen. De bovenste verdieping is bereikbaar via smalle tredes aan de voorzijde. Helaas was de kerk gesloten en de trappen naar boven op gaan was ten strengste verboden: te gevaarlijk. Jammer, maar ook wel begrijpelijk: de trappen zijn steil, de treetjes niet meer dan hooguit 30 cm breed en het geheel heeft geen leuning.

Op het terrein is een groot gat met wat stenen er omheen. Het is de toegang tot een tunnel, een oude vluchtroute, die aan de voet van de berg uitkomt.
Na deze twee kloosters wordt het tijd voor wat profaners. De regio waar we later doorheen rijden staat bekend om zijn wijn, die volgens zeggen in deze streek al 6000 jaar wordt geproduceerd. Noach zou er, toen hij met zijn ark vastliep op de Ararat, al wijnranken geplant hebben. In Armenië wordt ook granaatappelwijn geproduceerd. We passeren het plaatsje Areni, waar we met een paar liefhebbers een kleine wijnproeverij doen.

We lunchen onderweg in een foodcourt. En dan gaat de weg omhoog naar de Selimpas (2410 m). In de winter is de pas vaak afgesloten voor het verkeer vanwege de grote hoeveelheid sneeuw. In de middeleeuwen was dit een belangrijke handelsweg, die deel uitmaakte van de Zijderoute. Stukken van deze antieke weg, inclusief de oude bruggetjes, zie je nog parallel lopen aan de huidige weg. Ik zag deze bruggetjes zo hier en daar, maar kon er vanuit de rijdende bus geen foto van maken. Onvoorstelbaar dat de mensen met hun dieren op die smalle paden hun weg vonden. Overigens werden er vanwege de bergen in Armenië meestal paarden en ezels gebruikt, geen kamelen.

Niet ver hier vandaan ligt de Selimkaravanserai, ook wel Orbelianserai genoemd, die prachtig in het berglandschap ligt en nog heel autentiek is.

Gebouwd rond 1330 langs de bergpas door prins Chesar Orbelian (zie ook Noravank klooster) om onderdak te bieden aan mensen, dieren en hun goederen, die op weg waren van Iran naar de noordelijke provincies van Armenië. De karavanserai maakte in de middeleeuwen deel uit van de Zijderoute. Met de groei van de steden en de handel in de 12e tot 14e eeuw werd een netwerk van rustplaatsen gebouwd op een dagreis afstand van elkaar. Na een lange en zware trip door de bergen was de Orbelian Karavanserai voor reizigers een veilige en aangename rustplaats. Ze wisselden hier nieuwtjes uit en waarschuwden elkaar voor de gevaren op de wegen.

De goed bewaarde karavanserai heeft drie delen: hoofdzaal, voorportaal en een kapel. Hij is opgetrokken uit basaltblokken. Aan het einde van het gebouw zijn er twee kleine kamers voor de mensen. De dieren overnachtten in de nissen aan weerszijden van de grote hal; een aantal troggen is nog zichtbaar. In het dak zit een gat (oculus) dat zorgde voor licht en aanvoer van verse lucht. De ingang is mooi versierd met reliefs van een gevleugeld dier en een stier, de symbolen van de Orbelianfamilie.

We rijden verder naar het Sevanmeer, onze eindbestemming voor vandaag. Het Sevanmeer is het grootste meer van Armenië en ligt op 1914 m hoogte; alleen het Titicacameer op de grens van Bolivia en Peru ligt nog net iets hoger. Het meer ontstond als gevolg van vulkaanuitbarstingen. Tegenwoordig is het 80 km lang en op zijn breedst 30 km. Aangezien Armenië geen toegang heeft tot een zee, is het Sevanmeer ook de plek voor een ‘strandvakantie’. In de zomermaanden zit het er vol met Armeniërs, maar ook Russen komen er graag.

Maar voor we bij het hotel voor vannacht zijn stoppen we nog bij het Sevanklooster. Vroeger stond het op een eiland in het meer, maar onder Stalin werd het meer gedraineerd, waardoor het waterniveau nu 20 m lager is dan in de jaren ’50 en het eiland hierdoor een schiereiland werd.

Om er te komen moet je 235 treden omhoog. Ik overweeg even om deze klim niet te maken, want inmiddels hebben we al heel wat kloosters gezien. Uiteindelijk gaan we toch naar boven en het was de moeite waard. De versieringen in de kerk zijn anders dan elders: ze hebben Arabische invloeden. Ook is er een chatsjkar met een afbeelding van Christus, wat ook nogal ongebruikelijk is.

Om 18.00 uur zijn we bij onze overnachtingsplek, een voormalig Sovjethotel dat direct aan het meer ligt. Onze kamer is in tegenstelling tot die in Jerevan enorm en ook hebben we een betere badkamer. Het is nu 14°, wat verschil met Jerevan! Aangezien er geen ander restaurant in de buurt is moeten we in het hotel eten, buffet. Maar wat een afknapper is dat. Het ‘buffet’ blijkt te bestaan uit twee soorten soep, een groente- en een kipgerecht met wat bulgur erbij. Op zich niks mis mee, maar er is veel te weinig voedsel en het ergste: het eten is echt koud. Bah!

Dag 6, di 09-09:
Sevanmeer > Dilijan > ALAVERDI (Haghpat)
We vertrekken met heerlijk zonnig weer. Niet veel later gaan we door een hele lange tunnel en als we daar uit komen is de zon weg en hangt er een behoorlijk dichte mist. Deze zal nog tot het eind van de ochtend blijven hangen en de zon zien we pas weer aan het eind van de middag. Maar de temperatuur is goed. Tot zo ver de weerberichten!
Eerst rijden we naar het Goshavankklooster in het dorpje Gosh. Goshavank betekent ‘klooster van Gosh’ en werd gebouwd in de 12e eeuw. Het werd vernoemd naar de beroemde Armeense geleerde Mkhitar Gosh. Vroeger was er een grote bibliotheek met wel 15.000 boeken, maar die zijn bijna allemaal vernield door de Mongolen. Goshavank is vooral bekend om haar unieke middeleeuwse chatsjkars.
We klimmen nog verder naar boven naar een piepklein kerkje en drinken na deze inspanning een kop koffie. 

  

Dan verder naar Dilijan. In de Sovjettijd was dit plaatsje een populair kuuroord voor de elite, maar na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie raakte het stadje in verval. Inmiddels zijn de vakantiewoningen weer opgepoetst en is het, mede door de schitterende omgeving, uitgegroeid tot een aantrekkelijke toeristische verblijfplaats. In het oude deel van de stad is een geplaveid straatje met een aantal traditionele gebouwen. In deze ‘Anton-Pieckallee’ zijn winkeltjes met lokale producten, restaurants en werkplaatsen voor oude ambachten, enz.

We lunchen met een paar anderen heel gezellig in het stadje Vanadzor. De omgeving is schitterend: dan weer rotsachtig, dan weer begroeid met prachtige kleuren van de al beginnende herfst.
We rijden verder naar het hoog gelegen Sanahinklooster. I.t.t. eerdere kloosters die we gezien hebben ligt dit klooster prachtig onder de bomen. In de klokkentoren is een groot reliëf van een kruis.

  

Tussen klokkentoren en kerk is een galerij gemaakt als steun i.v.m. de aardbevingen. Later werd deze galerij gebruikt als leslokaal voor jongens. Daar waren twaalf zitplaatsen, verwijzend naar de twaalf apostelen; alles heeft zo zijn betekenis. Buiten op de muren zijn kruizen gekrast; pelgrims lieten deze tekens achter. Een hele vroege vorm van graffiti? Er gaat geen dag voorbij zonder een of meer kloosters te zien. Maar geloof het of niet: ze zijn alle anders en de moeite van het bekijken waard.
Sanahin is ook de geboorteplaats van de gebroeders Mikoyan. De ene was politicus in de Sovjet-Unie, de ander vliegtuigontwerper. Samen waren ze verantwoordelijk voor het ontwerp van de MiG, een gevechtsvliegtuig dat o.a. is ingezet bij de bevrijding van Europa aan het eind van WO-II. In hun geboortehuis is een museum gevestigd met ervoor een van de eerste MiGs. 

Aan het eind van de middag arriveren we in een gloednieuw hotel bij Haghpat, een plaatsje in de buurt van Alaverdi. Omdat het hotel erg afgelegen ligt eten we ook hier vanavond weer in het hotel. Dit keer wel heel smakelijk. Onze reisleidster heeft een flesje Araratcognac gekregen (hoewel dit natuurlijk geen cognac mag heten). De glazen worden aangerukt en de inhoud van de fles wordt verdeeld; heel genoeglijk allemaal.

  

Dag 7, wo 10-09
Alaverdi (Haghpat) > GJOEMRI
Het ziet er vanochtend wat dreigend uit, maar het is droog. We beginnen de dag met … jawel, een klooster! Nu het 10e eeuwse Haghpatklooster. Het complex heeft verschillende kerken uit die tijd en een bibliotheek. Een losstaande klokken­toren van drie verdiepingen stamt uit 1245.

In de muren gehakte reliëfs en buiten chatsjkars. In de vloer van de kerk liggen oude grafstenen. Bijzonder zijn de gaten in de vloer van de bibliotheek. Men ontdekte dat de boeken onder de grond beter bewaard bleven. Ook gebruikte men de gaten om voedsel en olie in te bewaren. De gaten werden afgedekt, ook handig als bergplaats als er vijanden in de buurt waren.

  

Door de eeuwen heen is het klooster vaak aangevallen en beschadigd. Het is ook het eerste klooster waar we fresco’s zien.

Evenals in een van de vorige kloosters horen we -weliswaar van een bandje- prachtige koorzang. De akoestiek is in deze ruimtes geweldig en zo tussen de donkere stenen muren is het bijna een meditatief moment. Ook hier een bijzondere khachkar, nl. de kruisiging met daaronder Maria en Maria Magdalena.
Hierna rijden we door naar Gjoemri. Dit was in de 19e eeuw de belangrijkste Russische garnizoensstad in Armenië. Van 1840 tot 1924 heette de stad Aleksandropol als eerbetoon aan Alexandra Fjodorovna, de vrouw van de toenmalige tsaar Nicolaas I. En van 1924 tot 1990 was de naam Leninakan, naar de overleden sovjetleider Vladimir Lenin. Leninakan was voor de Sovjetrepubliek van belang door zijn bloeiende metaalindustrie.
Voordat we naar het hotel gaan bezoeken we eerst nog Het Zwarte Fort (Sev Berd) van Gjoemri. Dit ronde militaire fort staat op een heuvel met uitzicht over de stad, 8 km van de Turkse grens. De bouw van het fort begon in 1834 i.v.m. mogelijke Turkse dreigingen.  Op de muren staan inscripties van Russische soldaten, die hun namen en plaatsen van herkomst registreerden tijdens hun diensttijd in het militaire complex.

De nu als concertzaal gebruikte ruimte is erg mooi met art-decodetails, zoals deuren en lampen.

  

Dichtbij het fort staat nog een beeld van Moeder Armenia. Het andere staat in Jerevan.
En nu naar het hotel. We parkeren de bagage op de kamer en lopen meteen de stad in om te lunchen. We doen dit op een terras met een lekker broodje en koffie. Dan terug voor een tukje (J) en het bijhouden van het dagboek (C). Daarna weer naar buiten. We zien een soort creativiteitscentrum voor kinderen en mogen er even rondkijken. Enkele kinderen zijn aan het schilderen en zijn een beetje verlegen als wij naar ze kijken. Er is een expositie van textielschilderijen en we zijn verrast door de creativiteit en het niveau.

Op het centrale plein van de stad staat een enorm overheidsgebouw uit de Sovjettijd en midden op het rechthoekige plein staat een heldhaftig standbeeld.

  

Aan de korte kant staat de bruin met oranje Kerk van de Heilige Verlosser. Er tegenover aan de andere korte kant van het plein staat de veel oudere Moeder-Godskathedraal. Opvallend hoeveel jonge mensen er heel devoot bidden. Ook opmerkelijk: de mensen verlaten de kerk achterwaarts; uit respect keert men het heiligdom niet de rug toe. Het is even zoeken, maar dan vinden we toch het Museum van de Twee Zussen. Deze twee dames uit de eerste helft van de vorige eeuw schilderden niet onverdienstelijk en hebben nu hun eigen museum. De moeite van het bekijken waard. We lopen een grote autovrije straat in met veel terrassen en nemen hier een drankje. Dan begint het stevig te waaien en het wordt fris, dus terug naar het hotel.
’s Avonds komen we in een restaurant waar het gezellig druk is. Maar wij worden naar een kleine ruimte gedirigeerd waar niemand zit. Dat gaan we dus niet doen. We komen een paar groepsgenoten tegen die ons een ander restaurant aanbevelen. Hier eten we met z’n tweetjes lekker en uitgebreid en een tikkie romantisch!

Dag 8, do 11-09
Gjoemri > Bavra > Vardzia > ACHALTSICHE
We vertrekken pas om 09.30 uur, omdat dit handiger is voor de Georgische buschauffeur en gids, die helemaal vanuit Tbilisi naar de grens moeten komen. In Georgië krijgen we namelijk een andere bus/chauffeur en een gids, want die schijnt hier verplicht te zijn. Overigens zijn daar later wel enige twijfels over, maar oké ze is er. We rijden naar het plaatsje Bavra, waar vlakbij de grensovergang ligt. Hier de bus uit plus alle bagage. Dan door de Armeense douane. Vervolgens met de bagage een stuk lopen naar de Georgische grens en daar weer douane/paspoort en bagage door de security. Gelukkig gaat het allemaal redelijk vlot.

En dan is het nog even wachten op de gids en bus. Het is nu een grote bus met veel meer ruimte en de koffers kunnen zonder probleem in de bagageruimte. Dat was in Armenië wel anders, waar we een 14-persoonsbus hadden voor dertien mensen. De kofferruimte was veel te klein, dus moest ook een deel van de bagage in de bus. Later tijdens de reis zal blijken dat zo’n grote bus ook nadelen heeft. Maar nu zijn we in Georgië!

GEORGIË
Georgië is -net als Armenië- een transcontinentale staat , d.w.z. het ligt op twee continenten. Georgië zelf beschouwt zich als deel van Europa, terwijl het grootste gedeelte van het grondgebied tot Azië behoort. Het land ligt aan de oostkant van de Zwarte Zee en grenst aan Turkije, Armenië, Azerbeidzjan en Rusland.  Gezien de ligging was het land keer op keer bij conflicten betrokken met Romeinse, Byzantijnse, Mongoolse, Perzische, Ottomaanse en Russische heersers. Georgië staat dan ook vol met forten en ommuurde stadjes. Het christendom werd al in de 1e eeuw in Georgië geïntroduceerd en werd in de 4e eeuw, na Armenië, het tweede land dat officieel het christendom als staatsreligie instelde. Dus ook hier veel oude kerken en kloosters. Omdat Georgië naast het Perzische rijk ligt is het ook beïnvloed door islamitische riten en gebruiken en daardoor heeft zich hier een unieke geloofscultuur ontwikkeld.
In 1991 verklaarde het land zich onafhankelijk van de Sovjet-Unie. Maar de autonome regio’s Abchazië in het noordwesten en Zuid-Ossetië in het noorden, hebben zich met steun van de Russen zelfstandig verklaard. Deze afvallige regio’s worden door geen ander land erkend, op Rusland en een paar Ruslandgezinde naties na. Deze situatie vormt sinds 1991 een bron van gewapende conflicten, waarin Rusland een grote rol speelt. De Georgische overheid heeft in de praktijk geen gezag over deze gebieden, die feitelijk door Rusland gecontroleerd worden; vergelijkbaar met Transnistrië in Moldavië.
Het land is een belangrijke producent op het gebied van thee en olie. De laatste jaren is Georgië sterk in opkomst als vakantiebestemming.

Oppervlakte:
69.700 km2 (ongeveer zo groot als Nederland en België samen)
Natuur en landschap:
Het landschap is gevarieerd. In het noorden van het land vormt de Hoge Kaukasus de grens met Rusland. De hoogste berg in Georgië is de Shkhara (5201 m). In het zuiden ligt de Kleine Kaukasus. Meer dan de helft van het land ligt hoger dan 900 m en bijna een even groot deel van het oppervlak is bedekt met bossen. De belangrijkste rivier in het westen is de Rioni die naar de Zwarte Zee stroomt. In het oosten van het land stroomt de Mtkvari, die komend uit Turkije door Tbilisi stroomt voordat hij uitmondt in de Kaspische Zee. Behalve rivieren zijn er nog 2000 minerale bronnen die meer dan 100 miljoen liter water per dag (!) produceren. Rond Poti aan de Zwarte Zeekust ligt een nat vlak gebied. In dit subtropische gebied verbouwt men vooral thee en citrusvruchten.
Weer en klimaat:
Door de grote hoogteverschillen kent Georgië een grote landschappelijke en klimatologische variatie. In de bergstreken is het in de zomer koel, rond de 20°C. In de winter is het in de bergen koud en kan de temperatuur dalen tot -30°C. In sommige gebieden duurt de winter maar liefst negen maanden. Aan de Zwarte Zee is het klimaat mediterraan met zomerse temperaturen tussen de 20°C en 30°C. In deze tijd kan het in Tbilisi erg warm en vochtig zijn.
Hoofdstad:
Tiblisi. Zie ook dag 14.
De naam Tbili of T'pilisi (=warme locatie) werd aan de stad gegeven vanwege de aanwezigheid van zwavelzuurrijke warmwaterbronnen. De stad ligt aan beide oevers van de rivier Mtkvari en is veruit de grootste stad van het land. Al sinds de 5e eeuw is Tiblisi de hoofdstad en was tevens het culturele, economische en bestuurlijke centrum in Transkaukasië tijdens de Russische overheersing. Nu is Tiblisi het economische en politieke centrum van het land, met de zetel van het parlement. De stad is het belangrijkste knooppunt tussen Oost- en West-Georgië, en van internationaal verkeer tussen de vier buurlanden. Tbilisi heeft een compact historisch centrum, met daaromheen 19e eeuwse uitbreidingswijken met statige lanen. Tijdens de Sovjetoverheersing en de snelle groei van de stad werden dichtbevolkte wijken met grote flatgebouwen om de stad gebouwd, waarbij het centrum gespaard bleef.
Regeringsvorm:
Parlementaire republiek.
Vlag:
De vlag bestaat uit een Sint-Joriskruis, d.w.z. een witte achtergrond die door een rood kruis in vier rechthoekige vlakken verdeeld wordt. In elk van de witte vlakken staat ook weer een rood kruis. Georgië is een christelijk land. Het grote kruis staat voor Christus en de vier kleine kruizen voor de evangelisten. Het wit in de vlag staat voor zedelijkheid, onschuld, reinheid en wijsheid. Deze vlag van Georgië was eerder in gebruik als de vlag van het middeleeuwse Georgische koninkrijk 1008-1490). Na de rozenrevolutie van 2003 is deze vlag in januari 2004 weer in gebruik genomen, nadat het land bijna 500 jaar andere vlaggen had gebruikt.

Munteenheid:
Lari (GEL)
Bevolking:
Georgië telt ongeveer 3,7 miljoen inwoners, waarvan er 1,1 miljoen in de hoofdstad Tbilisi wonen. De Georgische bevolking bestaat voor 87% procent uit Georgiërs, de rest uit etnische minderheden waaronder Armeniërs en Azeri. Ooit was er een vrij grote joodse gemeenschap, maar die is afgelopen jaren grotendeels naar Israël geëmigreerd.
Taal:
De officiële taal is het Georgisch, gesproken door ruim 70% van de bevolking. Het Georgisch is een Ibero-Kaukasische taal die op geen enkele Europese taal lijkt. Het heeft een eigen alfabet, dat bestaat uit 33 letters: 5 klinkers en 28 medeklinkers. Over het algemeen spreekt en verstaat iedereen ook Russisch, maar veel mensen weigeren principieel Russisch te spreken. Steeds meer jongeren spreken Engels.

Religie:
Ongeveer 65% van de Georgische bevolking is aanhanger van de Georgisch-orthodoxe kerk. Verder zijn er volgelingen van de Russisch-orthodoxe kerk, de Armeens-apostolische kerk, joden en moslims. Het religieuze hart van de Georgisch-orthodoxe kerk ligt in Mtskheta, 27 km van Tbilisi. Sinds 1991 kent Georgië -evenals Armenië- vrijheid van godsdienst. Tbilisi heeft nu bijvoorbeeld weer een joodse synagoge, een islamitische moskee, een Georgische basiliek, een Armeense kerk en een Zoroastrische tempel.
Evenals in Armenië dragen vrouwen in de kerk een hoofddoekje. En ook hier slaan zowel mannen als vrouwen bij het passeren van een kerk een kruisje.
Cultuur:
Georgiërs staan bekend als de levensgenieters van de Kaukasus. Ze zijn extravert, emotioneel, romantisch en houden van feestvieren. Georgië is ook het land van de gastvrijheid. Als men iemand thuis uitnodigt begint het met een feestmaal, want ook voor de Georgiërs is een gast een geschenk van God. De tafel staat centraal in het Georgische leven en wordt altijd rijkelijk gedekt. Hier ontmoet men vrienden en familie op wie men een toost uitbrengt met chacha, de Georgische wodka. 
Georgië staat eveneens bekend om de ‘supra’s’: overvloedige avondmaaltijden waarbij men tientallen keren het glas heft en toost op de gezondheid van de gasten, van hun families en vrienden, op hun favoriete heiligen, op de liefde, op het moederland, op vrede in Georgië en op de wereldvrede, op de zieken, overledenen, vrouwen, ouders, kinderen, ongeboren kinderen en … verzin het maar! Er is niet veel fantasie nodig om te bedenken hoe de stemming na zo’n supra is.
Eten en drinken:
De Georgische keuken is beïnvloed door Perzische, Turkse, Russische en Europese tradities. Elke streek heeft zijn eigen (stoof)gerechten en wijn. Walnoten, knoflook en aubergine worden veel gebruikt, evenals koriander, dille en peterselie. Ook wordt er veel kaas in het eten verwerkt.
Evenals in Armenië worden in Georgië meestal veel verschillende gerechten op tafel gezet. Het is de bedoeling dat men van deze gerechten een klein beetje op het bord doet en van alles proeft. Een maaltijd kan soms tot wel vijftien gerechten bevatten. Veelal wordt vooraf wat chatshapoeri (kaasbrood) gegeten. In de regel wordt twee keer per dag warm gegeten.
Georgië is een wijnland bij uitstek. Tijdens de sovjetperiode kwam 70% van de wijnproductie uit Georgië. De Russen mogen dan van wodka houden, de Georgische wijn was favoriet bij de Russische elite. Bier is overal verkrijgbaar. Chacha is de nationaal gestookte sterke drank.

Georgische Wijn

Georgië staat na Moldavië op de tweede plaats (in termen van volume) in de productie van druiven in de voormalige Sovjet-Unie. Anno 2022 wordt de wijn geproduceerd door zowel duizenden kleine boeren als moderne wijnhuizen. De Georgische wijnbouw is door de archeologische vondsten tot minstens 6000 v.C. terug te voeren toen volkeren uit de Zuid-Kaukasus ontdekten dat sap van wilde druiven veranderde in wijn door het in de winter te begraven in een ondiepe kuil. Georgiërs pasten deze kennis vanaf 4000 v.C. toe door het cultiveren van druiven en het begraven van aardewerken kruiken ,kvevris, met druivensap. Nadat de kruik gevuld was met het vergiste sap van de druivenoogst werden de kvevris voorzien van een houten deksel en vervolgens afgedekt met aarde. Sommige bleven wel vijftig jaar begraven. Omdat er geen extra toevoegingen zijn heeft de wijn een bijzonder smaak. De qvevriwijn wordt gebruikt om te toosten bij Georgische feesten en wordt dan ook niet geëxporteerd.

Vandaag staat Vardzia op het programma, maar eerst rijden we langs het Khertvisifort, een oude vesting in het zuiden van Georgië.

De vesting dateert uit de 10e-11e eeuw n.C. en is gebouwd op een rotsachtige heuvel met uitzicht op de Mtkvaririvier. Het speelde een strategische rol in de geschiedenis van de regio en werd door de eeuwen heen herhaaldelijk aangevallen en herbouwd door verschillende veroveraars. De vesting heeft ook een uniek ondergronds watervoorzieningssysteem dat hielp om lange belegeringen te doorstaan.


Om het fort echt mooi te kunnen zien stoppen we en gaan de rivier over via een wiebelende hangbrug; een uitdaging voor Jan! Ontzagwekkend hoe mensen zoveel eeuwen geleden met hun primitieve werktuigen in staat waren zo’n groot fort op een heuveltop te bouwen.

De omgeving is ruig.

  

We lunchen erg leuk in een restaurant aan de rivier. We zijn dan niet ver meer van Vardzia. Daar aangekomen gaan we vanaf de kaartverkoop met de shuttlebus naar boven en lopen dan via hoge ongelijke trappen door de grottenstad. Het is behoorlijk klimmen af en toe.

Holenstad Vardzia

Slechts 20 km van de grens met Turkije ligt Vardzia, een kloostercomplex aan de oevers van de rivier Mtkvari. Om zijn inwoners een toevluchtsoord te bieden en te beschermen, o.a. tegen de aanvallen van de Mongoolse veroveraar Dzjengis Khan, besloot koning Giorgi III om een fortificatie te bouwen op de hellingen van de Erusheliberg en werden de eerste grotwoningen uitgehouwen. De koning overleed in 1184 en zijn dochter Tamar werd de nieuwe koningin. Ze was slechts 25 jaar oud en werd de eerste vrouwelijke heerser van Georgië. Onder haar leiding kwam Georgië tot economische en culturele bloei. Ze versloeg de Turken meerdere malen, plunderde Constantinopel en haar koninkrijk strekte zich uit van de Zwarte Zee tot de Kaspische Zee. Daarnaast liet ze talloze kathedralen en kerken bouwen. Niet zo gek dat deze periode de Gouden Eeuw werd genoemd. Intussen was de ondergrondse stad flink uitgebreid. Het complex bestond uit 13 verdiepingen, had een troonzaal, een kerk en maar liefs 6000 kamers, waar monniken en vluchtelingen konden wonen. Het verhaal gaat dat koningin Tamar zelf 366 kamers had, zodat indringers nooit wisten welke slaapkamer van haar was. Alles was verbonden met een labyrint van tunnels. De verschillende verdiepingen waren verbonden met verborgen doorgangen door de plafonds. Er was slechts één ingang naar de grottenstad en deze was goed verborgen aan de oevers van de Mtkvaririvier. De hellingen van de berg waren vruchtbaar en geschikt voor landbouw. Er werden terrassen aangelegd en zelfs een compleet irrigatiesysteem. Hiermee werd Vardzia een zelfvoorzienende stad en dat was in die tijd zeer uniek. Met de tijd werd Vardzia steeds verder uitgebouwd en werd een belangrijke religieus en cultureel centrum en ook een centrum van politieke en economische macht. Tijdens de hoogtijdagen van Vardzia woonden hier maar liefst 50.000 mensen en hadden de inwoners voldoende voedsel en water.

  

Een aardbeving aan het einde van de 13e eeuw maakte echter een einde aan Vardzia. Een groot deel van de buitenkant van de grotten stortte in. Hierdoor kwam een groot deel van de stad bloot te liggen, waardoor het een makkelijk doelwit werd voor vijanden; een groot deel van de bewoners trok weg. Toch werd de stad deels weer opgeknapt en opnieuw uitgebreid. In de 16e eeuw vielen de Ottomanen binnen en later ook de Perzen. Zij vernielden grote delen van het complex en staken de bibliotheek in brand. Enerzijds is hierdoor veel kennis verloren gegaan, maar aan de andere kant bracht de rook die door de brand ontstond een laag op de fresco’s, waardoor deze beschermd waren tegen vernielingen. En toen stond het complex leeg. Nu is Vardzia beroemd om zijn unieke architectuur en kun je in het overgrote deel zelf rondlopen. De grottenkamers en tunnels zijn d.m.v. trappen en platforms met elkaar verbonden.

  

De hoofdkerk van Vardzia, aan de westelijke muur van het complex, is versierd met fresco’s.

  

Niet alle grotwoningen zijn toegankelijk want er wonen nu nog altijd een paar monniken in een afgeschermd deel van het complex. Wat je als toerist nog kunt zien is ongeveer een derde van de stad, maar als je van een afstand kijkt, is de grottenstad nog altijd enorm groot.

Uiteindelijk komen we via een een donkere trap met hoge ongelijke treden weer aan het eind van de tunnel beneden.

We hebben nog wat tijd voordat we weer bij de bus moeten zijn en drinken nog even iets aan de rivier; altijd weer mooi en rustgevend dat stromende water.
Verder naar Achaltsiche. Maar eerst wisselen we de Armeense drams voor Georgische lari’s. In het hotel hebben we een aangename kamer met een enorm balkon. Maar de pret is van korte duur, want net als we ons een beetje geïnstalleerd hebben merken we dat het toilet niet doorspoelt. Dus alles weer terug in tas/koffer/rugzakken en naar een andere kamer. En dan volgt er een ware wolkbreuk. Als het even wat minder wordt snel een restaurant opgezocht. Weer terug op de kamer blijk ik bij de ‘verhuizing’ mijn nachtgoed vergeten te zijn. Maar voordat ik dat bij de receptie kan melden wordt het keurig op de nieuwe kamer gebracht.

Dag 9, vr 12-09:
Achaltsiche > Bordzjomi > KUTAISI
Het Rabatifort, de middeleeuwse vesting die hoog boven Achaltsiche uittorent, ligt op loopafstand van het hotel. Het is weer een behoorlijke klim om er te komen.

Het complex is zeer uitgebreid met o.a. een orthodoxe kerk, tuinen, een moskee, fonteinen, een hotel en nog meer. Veel Arabische invloeden. Het doet een beetje denken aan het Alhambra in Granada, een héél klein beetje! En ook hier weer heel veel hoge en vaak ongelijke trappen.

Na langdurig rondgekeken te hebben rijden we naar Bordzjomi. Dit stadje is begin 19e eeuw ontstaan nadat de Russen op deze plek een bron met mineraalwater hadden ontdekt. Het groeide al snel uit tot een belangrijk kuuroord voor de Russische tsarenfamilie en aristocratie. Aan het eind van dezelfde eeuw werd er een mineraalwaterfabriek geopend. Bordzjomi is anders dan de andere steden die we gezien hebben: mooie oude luxe huizen, vaak van hout, en veel groen langs de rivier. En ook wel een tikkie toeristisch, maar dit is te weinig om storend te zijn.

De oorspronkelijke bron van het Bordzjomiwater ligt in het Bordzjomipark, dat aan het eind van de hoofdstraat ligt. Het park heeft een erg mooie toegangspoort en het is er heerlijk wandelen. Onder een glazen koepel ligt de bron. Hier staan twee dames de flessen en bekertjes te vullen, die de mensen hun aanreiken en vervolgens op de banken in het park opdrinken. Het water schijnt niet bepaald lekker te smaken, dus wij beginnen er maar niet aan.

  

Na de lunch in Bordzjomi is het nog een paar uur rijden naar Kutaisi. In het verre verleden was dit de hoofdstad van Georgië. Om de historische rol van de stad te benadrukken werd, op initiatief van de vroegere president Saakasjvili (die met de Nederlandse Sandra Roelofs is getrouwd), het Georgische parlement in 2012 van Tbilisi naar Kutaisi verplaatst. Maar inmiddels is het parlement in 2019 weer terug verhuisd. Kutaisi ligt aan de rivier de Rioni.
Voordat we naar het hotel gaan rijden we naar de Bagratikathedraal, net buiten de stad, genoemd naar koning Bagrat. De kerk werd in de eerste jaren van de 11e eeuw gebouwd en in de 17e eeuw weer verwoest door Ottomaanse troepen.

Na restauratie in de 50-er jaren van de vorige eeuw kwam hij op de UNESCO wererlderfgoedlijst. Door de nogal smakeloze restauraties begin 21e eeuw ging hij met dezelfde vaart weer van de lijst af. Maar als je niet naar die vreselijke ‘opknapbeurt’ kijkt is hij nog steeds de moeite waard en vanaf de oude verdedigingsmuur buiten heb je een mooi uitzicht over de stad. We treffen het, want in de kerk vindt net een plechtigheid plaats. We weten niet precies wat de ceremonie inhoudt, maar het lijkt een doopritueel. Twee kinderen, basisschoolleeftijd, gekleed in een wit hemd op blote voeten met een brandende kaars in de hand worden door een priester gezegend. De (peet?)ouders staan  er omheen. Het is een feestelijk gebeuren, compleet met fotograaf en andere genodigden. Bijzonder om dit te zien.

Ik noemde het al eerder: we hebben een grote bus. Prettig is de ruimte, maar de afgelopen tijd is gebleken dat parkeren niet altijd soepel ging. En nu is hij ook nog te groot om de bochten te kunnen nemen in de smalle, kronkelige straatjes in de buurt van ons hotel. Dus bus uit en ruim 300 m lopen met de koffer/weekendtas en rugzak naar het hotel. Let wel: heuveltje op!
Wat later loop ik met een paar anderen naar het centrum beneden. We zien het Panorama van Colchis, dat bij de markt ligt; heel bijzonder.

Het Panorama van Colchis is een indrukwekkend groot reliëf in terracottakleuren. Het staat bij de bewoners van Kutaisi bekend als het ‘Panorama van Franz’, de naam van de kunstenaar Bernard Franz Nebieridze. In de Sovjettijd maakte hij in zijn atelier het ontwerp in keramiekvorm. Daar bleef het kunstwerk na zijn dood in 1987 achter. Veel kunstwerken uit de Sovjettijd zijn verwijderd of onderhevig aan verval, maar dit is postuum in 1995 na het overlijden van zowel kunstenaar als de Sovjet-Unie aangebracht. Het Panorama van Colchis is dan ook niet gemaakt ter meerdere eer en glorie aan de Sovjet-Unie en het socialisme, maar aan de antieke helden en de geschiedenis van Georgië, of eigenlijk meer van Colchis. Wat is Colchis? Colchis was een voormalig koninkrijk (650-150 v.C.) aan de oostkust van de Zwarte Zee. Het speelt een belangrijke rol in de Griekse mythologie, omdat Koning Aietes van Colchis het Gulden Vlies bezat.
In het reliëf staat deze Aietes met zijn Gulden Vlies boven de poort, rechts in het panorama. Naast hem is een schapenvacht te zien: het Gulden Vlies. Centraal in het panorama staat waarschijnlijk Moeder Georgië. In het onderste deel lijken wapens en gereedschappen te zijn begraven; symboliek ten top. Voor de gezichten aan de linkerzijde zijn verschillende inwoners van Kutaisi als model gebruikt.

  

We lopen een park door en komen op het centrale plein, eigenlijk een hele grote rotonde, waar in het midden de enorme Colchisfontein staat, symbool van de stad. Het ontwerp van de fontein is geïnspireerd op de legende van Colchis. Heel mooi en vooral heel indrukwekkend.

We eten erg lekker en heel gezellig op een groot terras, eigenlijk een soort binnentuin.

Terug met de taxi, want het is een behoorlijke afstand en een pittig klimmetje naar het hotel. En terwijl we op de taxi wachten wederom een wolkbreuk; wat een water, ongelooflijk. We worden keurig voor het hotel afgezet, maar de afstand van taxi tot ingang is al genoeg om kletsnat te worden. Trouwens die taxi was iets wat lijkt op de Uebertaxi bij ons. We moesten met 4 personen totaal 8 lari (nog geen €3,-) betalen. Daar ga je toch niet voor lopen!

Dag 10, za 13-09:
Kutaisi > Zoegdidi > MESTIA
Het Gelatiklooster, waar we vandaag naar toe zouden gaan, wordt gerestaureerd; dus dat gaat niet door. In plaats daarvan gaan we naar het Motsametaklooster. We weten natuurlijk niet wat we nu missen, maar Motsameta is een pareltje. Dit klooster werd in de 10e eeuw gebouwd, herbouwd in de 19e eeuw en draagt de bijnaam ‘klooster van de martelaren’. Hier werden namelijk de mensen gemarteld die weigerden de islam te accepteren. Het ligt op een prachtige locatie langs de rivier en is nog steeds in gebruik. Er hangt een serene sfeer in het kleine kerkje en het is, zoals zoveel kloosters en kerken hier, een belangrijke pelgrimsplek. 

Buiten het klooster staan drie mannen, twee met instrument, Georgische liederen te zingen. Echt mooi klinkt het niet, maar oké ze doen hun best. En dan beginnen ze aan het lied ‘Suliko’ (een bekend liefdeslied) en Jan begint spontaan mee te zingen. Verbazing alom! De drie zangers vinden het wel leuk. Omdat het Zelhems Mannenkoor banden had met een koor in Tbilisi stond o.a. dit nummer op het repertoire; vandaar.

We rijden verder naar Zoegdidi, waar we het Dadianipaleis zien, genoemd naar de rijke familie Dadiani. Dit paleis en zijn bewoners waren ooit het centrum van de lokale aristocratie. Het gebouw ziet er mooi onderhouden uit en ligt in een park. Het is nu een museum. Wij zijn geen liefhebbers van museumpaleizen, maar vooruit, we nemen er toch maar even een kijkje. En inderdaad, het kan ons allemaal niet echt boeien. Bijzonder, niet meer dan dat, is het dodenmasker van Napoleon. Kennelijk had hij goede banden met deze familie.  

Na de lunch beginnen we aan de rit naar Mestia: ruim vier uur, waarvan zeker de helft over zeer slechte bergwegen. De omgeving is echter indrukwekkend.

Dieren zijn een verhaal apart. Ze lopen gewoon los over de weg: paarden, kippen, een paar ezels, een stel varkens met zeker 10 koters … Maar het aantal honden en koeien dat zich op de wegen ophoudt is ongelooflijk. We zagen later zelfs een paar koeien op de middenberm van een snelweg! Men vindt het kennelijk heel gewoon dat deze dieren op de weg lopen: er wordt zelfs niet getoeterd, men wacht rustig af of rijdt er omheen.

Zwerfhonden kom je letterlijk overal tegen, zowel in de steden als op het platteland. Ze zijn over het algemeen rustig, erg vriendelijk, niet opdringerig en goed gevoed dankzij de bewoners of voorbijgangers. Veel honden hebben een oormerk. Dat geeft aan dat de hond gecastreerd of gesteriliseerd is en ingeënt tegen rabiës.
Mestia lig zo’n 1,5 km van ons hotel, waar we om 19.00 uur arriveren. Mestia ligt in de regio Svaneti op 1400 m hoogte en bestaat uit een aantal buurtschappen. Het is de laatste jaren gemoderniseerd t.b.v. de toeristen.

De regio Svaneti
Nog niet zo lang geleden was Svaneti een regio die behoorlijk afgezonderd was van de buitenwereld. Grote delen waren alleen bereikbaar via bergpaden. Door deze geïsoleerde ligging zijn oude dorpjes en tradities bewaard gebleven en moesten de bewoners zelfvoorzienend zijn. Sinds de aanleg van een weg kunnen toeristen de dorpjes van Svaneti een stuk beter bereiken, hoewel de wegen nog grotendeels ongeasfalteerd zijn en in slechte staat, zeker wanneer het geregend heeft. Er zijn zelfs autoverhuurbedrijven die je verbieden om deze regio te bezoeken. In de wintermaanden zijn de hooggelegen dorpen zoals Ushguli nog altijd vrijwel onbereikbaar.

Een half uur later lopen we met een paar anderen naar het stadje beneden om wat te eten. Na afloop vragen we of er een taxi besteld kan worden aangezien de weg flink omhoog gaat, het erg donker is en een van ons last heeft van zijn knie. Er wordt gezegd dat een taxi moeilijk te krijgen is, maar als we even geduld hebben wil de baas ons wel naar het hotel brengen. En zo gebeurt het; hoe aardig is dat!

Dag 11, zo 14-09:
MESTIA > Ushguli > Mestia
Vandaag gaan we met 4-wheeldrives naar Ushguli dat, net als Mestia, uit een groepje buurtschappen bestaat. Hier zijn meer dan 200 verdedigingstorens bewaard gebleven, hoewel in de loop der tijd er ook veel verdwenen zijn of tot ruïnes vervallen. Ze doen een beetje denken aan de torens in Regensburg (D) en San Gimignano (It). Ook in Griekenland, op de Peloponnesos, hebben we dit soort torens gezien. Toch bijzonder dat deze bouwwijze in de middeleeuwen al zo wijd verspreid was.

Svantorens

De bergdorpjes in deze streek leenden zich niet voor stadsmuren en daarom bouwde men bij ieder huis een eigen verdedigingstoren. De woontorens werden voornamelijk tussen de 9e en 12e eeuw gebouwd, maar ook daarna nog wel o.a. als bescherming tegen indringers en plunderaars. Eeuwenlang hebben de Svan contact gehad met de noordelijke Kaukasische stammen aan de andere kant van de bergen en met de Osseten in het oosten. Hoewel er handel werd gedreven waren deze relaties vaak vijandig, waarbij plunderende groepen van de ene of de andere partij probeerden elkaars bezittingen te bemachtigen. Door zich in hun torens te verschuilen weerden de Svan zich eeuwenlang tegen invallen van stammen uit het Kaukasusgebergte. De Svantorens waren het alternatief voor de burchten en kastelen die op de meeste plekken in Europa de bevolking bescherming konden bieden. De torens kwamen ook van pas bij het uitvechten van bloedige clanvetes binnen de eigen gemeenschap. Behalve ter verdediging deden de torens ook vaak dienst als stal of opslag.De torens waren 20 tot 25 m hoog en hadden meestal drie tot vijf verdiepingen, waarbij de omtrek van de muren afnam waardoor ze een taps toelopende vorm hadden. De begane grond had geen deuren of ramen. Ter bescherming bevond de ingang van een toren zich ongeveer 3 m boven de grond, met daaronder een ladder die bij een aanval binnengehaald kon worden. Naast de laddergaten binnen lagen grote, platte stenen klaar om als afdichting te dienen. Elke toren was verbonden met een groot huis van 2 verdiepingen. De begane grond bestond uit één ruimte met een open haard voor zowel mensen als dieren en waar ook werd gekookt. De bovenverdieping werd in de zomer door de familie gebruikt en diende tevens als opslagruimte voor veevoer en gereedschap. Een deur op deze verdieping gaf toegang tot de toren, die eveneens in verbinding stond met de gang die de ingang beschermde. Soms bestonden families uit wel dertig of zelfs honderd personen en werden er grote wooncomplexen met meerdere torens gebouwd om alle gezinsleden te huisvesten.


Het landschap is fantastisch en er worden dan ook een paar fotostops gemaakt.

Bij een klein cafeetje drinken we wat. En dan weer een stukje verder waar we stoppen bij een muur met een verdedigingstorenen op de achtergrond de hoogste berg van Georgië: de Shkhara (5203 m).

Dan een klein misverstand: we dachten dat dit ook een korte fotostop was, maar dat blijkt niet het geval. De auto’s zijn weg, incl. rugzak, etc. Helaas, dan zonder. Achter de muur gaat het Lamariaklooster schuil, dat vanaf de weg niet als zodanig herkenbaar is. Veel van de kloosters die we tot nu gezien hebben stonden op een groot terrein met meerdere gebouwen. Maar dit is allemaal heel klein. Het kerkje uit de 10e eeuw is nog heel puur met fresco’s die mooi bewaard zijn gebleven. Om binnen te komen moet je heel goed bukken, want de doorgangen in de buitenmuur en die van het kerkje zijn erg laag en vooral heel, heel hard! Hoewel erg klein, maakt het grote indruk. Veel mensen komen hierheen voor een zegening.

  

Afgesproken is dat we na bezichtiging via een smal pad naar beneden lopen en aan het eind van het pad op elkaar wachten om gezamenlijk ergens te gaan lunchen. Om zeker te weten dat je op de goede plek staat wordt als herkenningspunt een ander oud, nog kleiner kerkje aangegeven dat niet ver van een paar huizen staat. Omdat wij net voor de anderen het kloosterkerkje bekeken hebben lopen we ook als eerste naar beneden. Wat voel je je nietig in dit verlaten landschap tussen al die hoge bergen! We zien inderdaad een paar huizen met niet ver er vandaan een kerk van zeer bescheiden omvang op een heuveltje liggen; helaas gesloten. Dus wachten we een tijdje op de traptreden van dit godshuis.

Maar aangezien het nog even duurt tot het afgesproken tijdstip lopen we Zhibiani in (de naam van de paar huizen), een van de vier dorpen die samen de gemeenschap Ushguli vormen. De naam dorp is eigenlijk niet juist, het is hooguit een gehucht. Je waant je in de middeleeuwen: stenen of houten huizen met leistenen daken, verdedigingstorens, zandstraatjes verworden tot modderige paden met de nodige koeienvlaaien en dus geen verkeer, enz.

Dan weer terug naar de afgesproken plek. Inmiddels zijn er nog drie anderen gearriveerd. En maar wachten… We weten niet waar we gaan lunchen, dus zit er weinig anders op dan te blijven wachten. Nog een keer met z’n allen ‘het dorp’ in. Er is zelfs een etnografisch museumpje. Ook daar even een kijkje genomen en weer terug. Na verloop van tijd wordt wel duidelijk dat er niet veel gaat veranderen, dus besluiten we met z’n vijven door het gehucht naar de weg te lopen. Hier kunnen we via de app doorgeven dat we weer bij het piepkleine cafeetje zijn. Het is weer een aardig eindje omhoog. Dan komt onze Georgische gids ons tegemoet en na weer een stuk lopen (pfff …) komen we uiteindelijk op de plek waar we vlak tegenover zo lang hebben gewacht en waar we inmiddels al drie keer langs gelopen zijn! De anderen waren gewoon super laat, hebben ook gedeeltelijk een andere weg gelopen en zijn nooit bij het afgesproken trefpunt geweest!! Ja, dan kan je lang wachten.
We eten weer bij mensen thuis. En wederom is het een heerlijk en overvloedig maal: soep, een kip- en groentengerecht, brood gevuld met kaas, brood gevuld met vlees, zelf gestookte vruchtenbrandewijn en tot slot koffie/thee met eigen gebakken vruchtencade. En dat noemen ze een lunch!!!

  

Na een toost op de gastvrouw en hartelijk afscheid rijden we weer naar het hotel. D.w.z. dik anderhalf uur met behoorlijke snelheid over de zeer bochtige slechte weg. In de namiddag zijn we terug.
Met een aantal van de groep is afgesproken om ’s avonds in Mestia wat te gaan drinken en aansluitend te eten. We doen dit op het terras van een aardig restaurant, waar de bediening gekleed is in opvallende zwart met gele T-shirts: aan de voorkant staat de naam van het bedrijf en aan de achterkant staat de kaart van Georgië waarop duidelijk Abchazië en Zuid-Ossetië uitgespaard zijn met de tekst: “20% of my country is occupied by Russia!”. Een duidelijk statement! We zagen trouwens in Achaltsiche en Tbilisi ook kleine, stille en vreedzame protesten.

Dag 12, ma 15-09:
Mestia > Zoegdidi > KUTAISI
We vertrekken laat, want het museum waar we naar toe gaan opent pas om 10.00 uur. Het betreft het Mikheil Khergiani Huis.

Mikheil Khergiani was een beroemde Georgische alpinist die in 1932 in Mestia werd geboren. Bekend als ‘de Tijger van de Kliffen’ schreef Mikheil Khergiani naam in de geschiedenis als een onverschrokken bergbeklimmer. Khergiani's leven werd niet alleen gekenmerkt door de toppen die hij beklom, maar ook door zijn moedige en onzelfzuchtige daden. Als redder was Khergiani bereid om zijn eigen leven te riskeren voor de veiligheid van anderen. Het Mikheil Khergianimuseum, opgericht in 1983 in zijn geboortehuis, biedt een kijkje in het leven van deze opmerkelijke bergbeklimmer.

Maar deze Mikheil Khergiani is niet de werkelijke reden dat we naar dit museum gaan. Het museum is namelijk gevestigd in zo’n typisch Svanetihuis met toren en zo krijgen we een indruk hoe dat vroeger was.

  

Op de begane grond (voorheen ruimte voor mens en dier) is nu een klein etnografisch museum. Op de eerste etage (vroeger verblijfs- en opslagruimte) is het eigenlijke museum van de bergbeklimmer. Hier zijn foto’s en zijn bergbeklimmersuitrusting te zien en wordt getoond hoe hij bij reddingen te werk ging. Een aantal dapperen gaat via de houten ladders helemaal naar boven in de toren. Vooral bovenaan zo’n ladder is het lastig om op de vloer van de volgende verdieping te komen, maar het lukt me!

  

Daarna begint de lange rit terug naar Kutaisi. Het eerste en grootste deel van de rit is spectaculair, zowel wat betreft het uitzicht als de gesteldheid van de weg. Van het hotel hebben we een lunchpakketje mee gekregen: een klein sneetje brood met kaas, een stukje cake en een appel. Onderweg bij een aangename pleisterplaats, mooi tussen de naaldbomen gelegen, eten we ons lunchpakket plus nu eens een goede kop koffie (dat is hier vaak oploskoffie) en een stukje perzikgebak. En dan is het, op een paar fotostops na, bijna rechttoe-rechtaan naar hetzelfde hotel als op de heenweg.

We komen vroeg in de avond aan en lopen dan vrijwel meteen naar beneden naar een restaurant aan de rivier, waar we voor twee hoofdgerechten, een salade en drie glazen wijn zegge en schrijve € 13,50 afrekenen.

Dag 13, di 16-09:
Kutaisi > Gori > Uplistsikhe > Mtscheta > TBILISI
Onze eerste bestemming is Gori. Deze stad is vooral bekend als de geboorteplaats van Sovjetdictator Jozef Stalin. Het is dé Stalinstad van de voormalige Sovjet-Unie, waar deze beroemde inwoner nog altijd veel erkenning krijgt. Ook al is de man verantwoordelijk voor miljoenen doden, toch heeft deze stad een Stalinmuseum, een Stalinpark, een Stalinavenue, etc. In de meeste voormalige Sovjetstaten zijn standbeelden van Stalin en Lenin omver getrokken, maar in Gori staat Stalin nog steeds schaamteloos overeind.

Jozef Stalin (1879-1953)

Op 18 december 1878 werd in Gori Josif Dzjoegasjvili geboren, zoon van een schoenmakersknecht. Het gezin was zeer religieus en de ouders wilden graag dat Josif priester zou worden. Hoewel hij inderdaad naar de priestersopleiding ging koesterde Josif andere sympathieën. Hij zag wel wat in het opkomende socialisme en werd politiek actief voor de communistische partij. Hij werd steeds rebelser en plande uiteindelijk bankberovingen en aanslagen in Tbilisi. Nadat de communisten in 1917 de macht grepen was dit de ideale voedingsbodem voor Josif om zijn positie te versterken. Door zijn vastberadenheid en koelbloedigheid klom hij steeds hoger op de partijladder. Dat bezorgde hem de bijnaam Stalin (= Man van Staal). Na de dood van Lenin raakte hij met concurrent Trotski in een machtsstrijd verwikkeld, die Stalin uiteindelijk won. Hij maakte van de Sovjet-Unie een wereldmacht die wedijverde met de USA. Dat kon hij echter alleen voor elkaar krijgen door alle tegenstand die hij kreeg meedogenloos uit te schakelen. Iedereen die ook maar verdacht werd tegen hem te zijn werd geëxecuteerd. Uiteindelijk vonden vele miljoenen Sovjetburgers de dood onder zijn regime. Iets waar hij overigens geen moeite mee had, want Stalin staat bekend om het volgende citaat: “De dood van één mens is een tragedie; de dood van miljoenen slechts een statistiek”.
Museum

In 1951 -Stalin was toen nog in leven- bouwde het Sovjetregime al een museum ter ere van de bekendste inwoner die Gori ooit gehad heeft. Het Stalinmuseum, met ervoor een levensgroot standbeeld van hem, werd speciaal voor dit doel gebouwd in een groot park. Versierd met natuursteen, glas-in-lood en ornamenten lijkt het meer op een soort tempel ter ere van de Sovjetdictator dan op een museum.

Binnen vind je letterlijk alles wat je maar kunt bedenken wat met Stalin te maken heeft. Over zijn rol in de vele oorlogen en conflicten die onder zijn heerschappij plaatsvonden vind je echter opvallend weinig. Het lijkt erop dat men vooral wil laten zien hoe aardig en betrokken Stalin was. Er wordt bijvoorbeeld geen woord gerept over zijn zoon die hij liet vermoorden (bij uitruil van krijgsgevangenen tijdens WO-II zei hij: “Ik heb geen zoon Jakov”. Jakov stierf daarna in een krijgsgevangenkamp. Wel zijn er foto’s van Stalin met een klein meisje en dat hij zeer betrokken was met het volk. Feitelijk zijn alleen foto’s en begeleidende teksten gebruikt die het beeld bevestigen van Stalin als sterke leider die de oorlog tegen de nazi’s won. Geen woord over de miljoenen slachtoffers. Ergens in een klein hoekje van het museum zijn een paar foto’s te vinden van enkele Russische mannen die gesneuveld zouden zijn tijdens zijn regime; het zou om maar twaalf mensen gaan! Wij weten beter. Wel staat er tegenwoordig -op last van de autoriteiten- bij de ingang een bescheiden informatiebord gewijd aan de repressie onder Stalin. En op de begane grond is een onopvallend kleine zaal ingericht over de slachtoffers. Je loopt deze kleine ‘slachtofferzaal’ heel makkelijk voorbij omdat het ‘echte museum’ zich op de 1e etage bevindt.

We besluiten om verschillende redenen niet naar het museum te gaan: 1) we hebben geen zin in de verheerlijking van Stalin, 2) wij hebben een aantal jaren geleden in Assen een tentoonstelling gezien over de Sovjet-Unie waarbij ook aandacht aan de periode van Stalin werd geschonken en 3) je moet in het museum een Engelstalige gids hebben en dat kost je een behoorlijke tijd die we liever anders besteden.
Dus lopen we het park bij het museum in en zien het (verplaatste) huis waar Stalin opgroeide en de treinwagon waarmee hij de Sovjet-Unie doorkruiste en naar historische conferenties in Teheran, Jalta en Potsdam reisde; er wordt verteld dat hij vliegangst had. Ook het eerder genoemde standbeeld waar nog altijd bloemen voor worden gelegd staat in dit park.We gaan op zoek naar het Monument voor Georgische Oorlogshelden waar ik over gelezen heb. Het is een groep beelden aan de voet van de heuvel waarop het Gorifort staat. Het zijn acht meer dan levensgrote bronzen beelden van soldaten die in een cirkel zitten op ruwe stenen blokken. De krijgers stralen dapperheid uit, maar zijn ook bijna allemaal gewond. De figuren missen een gezicht en/of armen en benen. Dit symboliseert het feit dat soldaten niet ongeschonden uit de strijd komen, ondanks de heroïek die erbij komt kijken. Ze moeten iets opofferen om het vaderland te verdedigen, bijv. een lichaamsdeel. Het monument is in de 80-er jaren gemaakt en stond eerst rondom het graf van de onbekende soldaat in Tbilisi. In 2009 zijn de sculpturen verplaatst naar de huidige locatie in Gori.

Daarna drinken we koffie in een super chique 5-sterrenhotel. De koffie is goed, het gebak erbij is van patisseriekwaliteit en de toiletten zijn top. Nog even wat rondslenteren en dan terug naar de bus.
Wanneer we de stad uit rijden komen we langs het plein waar in 2008 RTL-cameraman Stan Storimans samen met elf Georgische burgers werd gedood door een Russische clusterbom toen hij verslag deed van de Russisch-Georgische oorlog om Zuid-Ossetië.
Dan rijden we naar Uplistsikhe, de verlaten grottenstad die ongeveer 15 km van Gori ligt. Omdat Uplistsikhe minder bekend is dan Vardzia, wordt ze nog niet extreem veel bezocht door toeristen.

Uplistsikhe werd gesticht in de late bronstijd rond de 10e eeuw v.C. (dat is ± 2000 jaar eerder dan Vardzia!) toen men begon grotten uit de rotsen te hakken bij de Mtkvari rivier. Zo ontstond een enorm grottenstelsel van 8 ha. De grotten dienden als woning, maar hadden ook openbare functies; het was 3000 jaar geleden al een belangrijk politiek en religieus centrum. Door de kerstening in de 4e eeuw raakte Uplistsikhe de rol van religieus centrum kwijt aan Tbilisi en Mtskheta. Toch ging het leven verder in de stad en gingen het christendom en het oude geloof in de zonnegodin hand in hand. In de 5e eeuw groeide de grottenstad uit tot een belangrijk handelscentrum. Vaak werden grotsteden bewoond door hooggeplaatste figuren of monniken maar in Uplistsikhe woonden voornamelijk handelaren, omdat Uplistsikhe strategisch aan een rivieroever lag en ooit een stop was op de Zijderoute. Nadat Tbilisi door de moslims werd veroverd in de 8e eeuw kende Uplistsikhe een tweede bloeiperiode. Het werd de residentie van de koningen en op de hoogtijdagen woonden er waarschijnlijk zo’n 20.000 mensen in de stad. Hieraan kwam in de 13e eeuw een einde toen Tbilisi weer heroverd werd door de legers van de Mongolen die de grottenstad voor meer dan de helft verwoestten. Hierna werden de grotten nog maar sporadisch gebruikt als tijdelijke schuilplaats tijdens invallen. Ook een serie aarbevingen en eeuwenlange erosie hebben hun sporen nagelaten.In 2004 is men begonnen met restaureren om de site toegankelijk te maken voor publiek. Het grottencomplex bestaat o.a. uit tunnels, opslagplaatsen, een markt, een theater en een gevangenis. In het bovenste gebied staat een christelijke basiliek uit de 9e of 10e eeuw.


Het is redelijk vermoeiend: nauwelijks trappen, dus voornamelijk klauteren en klimmen over rotsen. Gelukkig zijn deze redelijk egaal, d.w.z. geen losse steentjes. Eigenlijk is de tijd die we hier hebben te kort: het klimmen kost veel tijd (en energie!).

Voordat we de hoofdstad Tbilisi ingaan stoppen we bij Mtscheta. Hoog op een heuvel, 5 km hier vandaan, ligt het Jvari klooster.

Hier stond al in de 4e eeuw een houten kruis ter herinnering aan de overwinning van het christendom op de heidenen. Het klooster zelf stamt uit de 6e eeuw. Centraal in het ronde kerkje ligt een enorme brok steen: overblijfsel van het oorspronkelijke gebouw. Het huidige kerkje werd hier omheen gebouwd. Naast de gebruikelijke iconen toch een bijzondere: die van St. Joris. Deze nu eens niet met de draak, maar met de Romeinse keizer Diocletianus! Zijn christenvervolging in 303 lag nog vers in het geheugen toen de kerk gebouwd werd.

Vanaf de heuvel heb je een mooi uitzicht op de stad met kathedraal en de samenvloeiing van twee rivieren. Nu naar Mtskheta. Inmiddels hebben we zo ongeveer in elk plaatsje of op elke heuveltop prachtige kerken en kloosters gezien, dus daarop is Mtskheta geen uitzondering. Wél uitzonderlijk is de historische status van dit stadje. Mtskheta was lang geleden namelijk de hoofdstad van Georgië en een belangrijke handelsstad van de Zijderoute. Hier bekeerde het toenmalige koningspaar zich in de 4e eeuw tot het christendom. Dat is ook de reden waarom de belangrijkste kerk van het land, de Svetitskhoveli kathedraal, nog steeds in dit stadje staat. Deze kathedraal is ook een belangrijk pelgrimsoord. Svetitskhoveli betekent letterlijk ‘levensgevende kolom’. Natuurlijk is er een verhaal (en daar houd ik zo van!) over het waarom van deze naam:

In de 1e eeuw was Elioz uit Mtscheta aanwezig bij de kruisiging van Jezus in Jeruzalem. Elioz kocht Jezus' mantel van een Romeinse soldaat en bracht hem naar Georgië om hem vervolgens aan zijn zus Sidonia te geven. Overmand door emoties stortte ze in en stierf. Toen de mantel niet uit haar handen kon worden genomen werd ze ermee begraven op de plek waar ze stierf. Er groeide een cipres op haar graf en mensen vertelden dat ze van ziekten waren genezen, nadat ze onder de takken ervan hadden gestaan. De koning besloot toen op deze plek een kerk te bouwen. Hij kapte de cipres om en vormde er zeven zuilen van, die als funderingspijlers voor de kerk zouden dienen. Een ervan zweefde op magische wijze de lucht in en keerde pas terug naar de aarde nadat de heilige Nino de hele nacht had gebeden. Uit de zuil zou een heilige vloeistof stromen die mensen van alle ziekten genas.

Het kerkgebouw ligt op een ommuurd terrein waar vroeger de paleizen van de koningen hebben gestaan.

Toen in de 4e eeuw de koning zich bekeerde liet hij op deze plek de eerste christelijke kerk van Georgië bouwen. De plaats waar Sidonia was begraven met Christus' mantel werd later onderdeel van de kathedraal. Die eerste kerk werd verwoest, maar het graf met de mantel van Jezus niet.

De huidige kathedraal werd in de 11e eeuw gebouwd. Nadat de kathedraal voltooid was, beval de koning dat de rechterhand van de architect, Arsukidze, moest worden afgehakt. Officieel verklaarde de koning dat het afhakken van de hand van de architect ervoor zou zorgen dat hij nooit meer een kerk zo mooi als de Svetitskhoveli zou kunnen bouwen. Anderen fluisterden echter dat de hand van de architect als straf was afgehakt omdat hij van dezelfde vrouw hield als de koning. Een beeldhouwwerk van de hand en onderarm van de architect, die een beitel vasthoudt, is nog steeds zichtbaar onder de nok van het kathedraaldak. Een inscriptie onder de hand en onderarm, luidt: "De hand van Arsukidze, dienaar van God, moge hem vergeving toekomen".

Het gebouw heeft veel tegenslagen overleefd, o.a. invasies van Arabieren en Perzen en aardbevingen. Maar ook tijdens de overheersing door de Russische tsaren en later tijdens de Sovjetperiode. De binnenmuren waren ooit volledig versierd met middeleeuwse fresco's; weinig zijn bewaard gebleven. In de 30-er jaren van de 19e eeuw, toen de tsaar van Rusland de stad zou bezoeken, braken de Russische autoriteiten de galerijen af en kalkten ze de fresco’s wit in een poging de kathedraal een ‘nettere uitstraling’ te geven; uiteindelijk zou de tsaar nooit komen! Momenteel, na zorgvuldige restauratie, zijn er nog enkele fresco's bewaard gebleven. De muren zijn versierd met veel christelijk-orthodoxe iconen, waarvan het merendeel niet origineel is; de meeste dateren uit de 20e eeuw. De decoratie van het metselwerk heeft ook gebeeldhouwde druiven, verwijzend naar de eeuwenoude wijntradities van het land. Verder nog graven van verschillende koningen. Buiten zijn twee stierenkoppen op de oostgevel, overblijfselen van de kerk uit de vroege middeleeuwen. Alles bij elkaar een zeer indrukwekkende kerk! Aan het eind van de middag rijden we naar het eindstation van vandaag: Tbilisi. Het is inmiddels spitsuur en dat is goed te merken: een dikke rij auto’s kruipt tergend langzaam vooruit. Hoewel het pas morgen onze laatste reisdag is, hebben we toch voor vanavond al het gezamenlijke afscheidsetentje afgesproken. De nacht van morgen wordt namelijk erg kort en op deze manier heeft ieder de vrijheid die avond op eigen wijze in te delen. Het etentje is erg geanimeerd en gezellig.

Dag 14, wo 17-09:
TBILISI

De hoofdstad van Georgië is volgens overlevering gesticht in de 5e eeuw, nadat koning Vakhtang I Gorgasali hier thermale bronnen vond tijdens een jacht. Letterlijk vertaald betekent Tbilisi dan ook ‘warmwaterbronnen’ – de bronnen zijn nog altijd te bezoeken via één van de oude, Ottomaanse hammams in het centrum van de stad. Midden door de stad stroomt de Mtkvari rivier en aan de weerzijden van de stad liggen hoge kliffen. Zodoende is Tbilisi een langgerekte stad. De roerige geschiedenis, met veel verschillende overheersers (van Arabieren en Turken tot Russen en Perzen) heeft overal in de stad zijn sporen achtergelaten.
Aan de voet van het grote Narikalafort ligt het oudste deel van de stad. Behalve oude thermale baden vind je hier eeuwenoude kerken en moskeeën. Uit de Ottomaanse periode stammen de vele sierlijke balkonnetjes. Verder vind je in de stad enorme overheidsgebouwen uit de Sovjetperiode. Maar Tbilisi heeftook futuristische architectuur.

Laatste dag, zowel in Tbilisi als van de vakantie. Het is droog, halfbewolkt en niet te warm, dus ideaal om door de stad te banjeren. We beginnen onze wandeling bij de Metechibrug, best nog wel een stukje lopen. Daar gaan we de rivier over en zien, hoog op een klif, een imposant standbeeld van koning Gorgasali, stichter van Tbilisi. Schuin erachter ligt de Metechikerk (1289). In de Sovjettijd diende de kerk als theater.

We lopen weer terug over de brug en gaan op zoek naar Tbilisi’s belangrijkste moskee (1895). Het is behoorlijk zoeken, want de straten staan bepaald niet duidelijk aangegeven. En weer is het veel klimmen. De moskee en minaret zijn van baksteen en het interieur is mooi en rustig met vooral blauwtinten. De kleine waterval, die achter de moskee ligt laten we voor wat het is, want nog maar aan het begin van de wandeling hebben we al behoorlijk moeten klimmen, want ook de Metechikerk lag hoog. In Georgië wordt van inheemse wijnsoorten ook ijs gemaakt. Bijzonder, dus dat gaan we proberen. We kopen zo’n ‘wijnijsje’, maar de smaak valt ons een beetje tegen.

Vlakbij liggen de badhuizen. We zien de bakstenen koepels van het 17e eeuwse Abanotoebani badhuis, dat beroemd is om de zwavelbaden. Dit soort koepels zagen we ook op de oude badhuizen in Iran.

Maar het mooiste is de mozaïekfaçade van het Orbelianibadhuis; al weer die naam, ze waren dus heel invloedrijk in de Kaukasus. Het gebouw lijkt op de medresa’s, zoals we ze in Oezbekistan zagen, maar het is dus een badhuis, dat nog steeds in gebruik is.

Een stukje verder is het grote, drukke Meidanplein met o.a. de Meidanbazaar, die zich in een ondergrondse tunnel bevindt. Deze kleine eeuwenoude bazaar, dateert nog uit de de tijd dat Tbilisi een belangrijke handelsplek was langs de Zijderoute. Het is wel leuk om even doorheen te wandelen. Je vindt er ambachtelijke en lokale producten zoals traditionele kleding, wijnen en lekkernijen; eigenlijk de wat betere souvenirs.

Hierna is het tijd om even te zitten met een kop koffie en mierzoete, maar toch ook lekkere baklava. Via kleine, smalle straten met veel terrasjes komen we in de Sionistraat, een van de oudste straten van de stad. In een oude karavaanserai is nu het Historisch Museum. Met een beetje moeite kun je nog de vroegere functie van het gebouw herkennen. Even verderop staat de Sionikathedraal (13e eeuw). Een hele mooie kerk.

Opvallend is weer de devotie van de mensen. En heus niet alleen oude vrouwtjes! De Sionikathedraal is gebouwd op de plaats van een 5e eeuwse kerk. De kathedraal is de zetel van het hoofd van de Georgisch-orthodoxe kerk, de katholicos. Zijn residentie is in het ommuurde complex ernaast. Het is ook een bedevaartsplek vanwege de relikwie van het ‘wijnstokkruis’ van de heilige Nino, herkenbaar aan de schuin aflopende armen.

Volgens de legende zou de Maagd Maria in 319 in een visioen aan Nino zijn verschenen en haar hebben opgedragen om naar Georgië te gaan om daar de bewoners te kerstenen. Om haar tijdens de lange en gevaarlijke tocht te beschermen diende Nino een kruis mee te nemen dat ze maakte van twee wijnranken, die ze met haar eigen haar had vastgebonden. Aangezien de horizontale kruisstok krom was, ontstond op die manier een houten kruis met hangende armen, dat later bekend werd als het Sint-Ninokruis of het wijnstokkruis. Volgens de overlevering zou datzelfde kruis bewaard zijn gebleven en na lange omzwervingen uiteindelijk in de Sionikathedraal in de Georgische hoofdstad Tbilisi zijn terechtgekomen.

  

Dan lopen we naar de beroemde Vredesbrug, een moderne voetgangersbrug over de Mtkvari rivier van glas en staal. Deze brug werd in 2010 geopend als onderdeel van het nieuwe stadsplan en om een symbool te zijn van vrede en samenwerking. Aardig weetje: de Vredesbrug is in Italië gebouwd en met 200 vrachtwagens naar Tbilisi vervoerd. De brug verbindt de oude stad met het Rike Park.

Boven het park kun je het presidentiële paleis met de glazen koepel zien liggen (niet te zien op bovenstaande foto). Vanuit dit park vertrekt ook de kabelbaan richting het Narikala Fort. Hoewel het fort wegens werkzaamheden niet toegankelijk is lijkt mij een retourtje met de kabelbaan wel leuk, zeker vanwege het uitzicht over de stad. Maar gezien de gigantische rij wachtenden én de inmiddels brandende zon slaan we dit over. Dus weer terug over de Vredesbrug naar de oude stad, waar we verder lopen door de oude Sjavtelistraat. In deze straat zijn de muren behangen met schilderijtjes, een grappig gezicht. Intussen hebben we een ontzettende dorst gekregen. We worden op onze wenken bediend want aan het eind van de straat links ligt een klein aangenaam terras. Voor Jan een biertje en voor mij een sapje van vers rood fruit; heerlijk verfrissend. Recht tegenover dit terras is de ingang naar een kerkje. Eerst even bijkomen van alle indrukken, rust voor de voeten en lekker mensen kijken, die naar de kerk gaan. Het is de Antsjischatibasiliek (6e eeuw), de oudste kerk van de stad. Na enige tijd nemen wij er ook een kijkje. Eerst door een poort en dan (al weer!) trappen naar beneden.

Ook dit godshuis heeft mooie fresco’s. Als je om de kerk heen loopt kom je in een soort openbare tuin, waar je onder bogen tussen grote trossen blauwe druiven wandelt. Iets verderop staat een bizar bouwsel: het klokkenhuis of de leunende klokkentoren. Het is een schots-en-scheve, zeer fantasierijke toren, die op het punt van instorten lijkt te staan. Het bouwwerk is deel van een poppentheater. Uniek aan deze klokkentoren is dat je er zowel de grootste als de kleinste klok van de stad vindt! Bovenin is een grote klok en ergens op ooghoogte vind je het kleinst werkende klokje van Tbilisi; wel even zoeken! Elk uur verschijnt er een engeltje die op de bel klopt, en twee keer per dag openen de deurtjes bovenaan de klokkentoren en speelt er zich een klein poppenspel af genaamd ’the Circle of Life’. Kortom: een publiekstrekker.

Aangezien het hotel hier niet ver meer vandaan is en we inmiddels al bijna zes uur in de benen zijn besluiten we we wat rust te nemen op de hotelkamer. Een paar uur later gaan we weer op stap; nu naar het modernere deel van de stad. De beroemde Samebakathedraal laten we links liggen. Deze ligt wat uit de route en we hebben nu wel genoeg kerken, e.d. gezien. We lopen naar het Vrijheidsplein. Dit heette eerst Jerevanplein en onder het communisme Leninplein. Op de plek waar nu het Monument van Vrijheid en Overwinning staat met op de top een bronzen beeldje van St. Joris en de draak stond tot 1990 nog het standbeeld van Lenin. Aan dit plein ligt ook het in in 1880 gebouwde voormalige stadhuis met de klokkentoren. Begin van de vorige eeuw pleegde Jozef Stalin op dit plein een grote bankoverval die het begin van de communistische revolutie financierde.

We lopen verder de Rustavelli Avenue op; een enorm brede maar vooral drukke straat waar je gek wordt van het autolawaai. Verder veel dure winkels en imposante gebouwen zoals musea en theaters en het parlementsgebouw. Hier keren we om, want we willen in de oude stad nog een hapje eten. Dat doen we in een rustig straatje op een ommuurd terras ver van het lawaai. Ons laatste maal van deze reis.
Dan rustig weer terug naar het hotel, zodat we op ons gemak de bagage kunnen inpakken en vroeg kunnen gaan slapen.

Dag 15, do 18-09:
Tbilisi > AMSTERDAM
Midden in de nacht, om 02.30 uur (gaap!), worden we opgehaald en naar het vliegveld gebracht. De vlucht, nu met Lufthansa via München gaat vlot. Maar van slapen komt wederom niets, dus net als op de heenweg een doorwaakte nacht. Daar kunnen we tegenwoordig toch wat minder goed tegen dan vroeger. Op Schiphol hebben we al heel vlot de bagage en nemen we snel afscheid van de groep. Stef en Seppe staan ons op te wachten, dat is weer een feestje met het mannetje. Halverwege de middag zijn we thuis. Stef blijft nog even koffie drinken en dan gaan ze weer naar Leerdam. Einde van een mooie, gezellige, maar ook bij tijden vermoeiende reis.

Djoser

Home Reizen van Jan en Carla